Tadzjiekse asielzoeker verliest opvolgende aanvraag na Interpol-inzage
ECLI:NL:RBDHA:2026:26249, Rechtbank Den Haag, 08-09-2026, NL25.48047
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Asiel Tadzjikistan; derde opvolgende asielaanvraag; WI 2024/6 in overeenstemming met Unierecht; ongeloofwaardig dat eiser onder valse voorwendselen strafrechtelijk wordt vervolgd door de Tadzjiekse autoriteiten; subsidiair art. 3 EVRM; strafvervolging wegens commuun delict (fraude) in land van herkomst houdt geen verband met een verdragsgrond; ongegrond.
Kern van de zaak
Een Tadzjiekse man (geboren 1996) diende in augustus 2023 een opvolgende asielaanvraag in bij de Nederlandse autoriteiten. De minister wees deze aanvraag in september 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in en vroeg aanhouding om eerst een inzageverzoek bij Interpol te kunnen afwachten.
Beslissing van de rechter
De rechtbank heeft het beroep behandeld na aanhouding in afwachting van de Interpol-beslissing; op basis van de beschikbare tekst lijkt het beroep ongegrond verklaard, waarbij de opvolgende asielaanvraag kennelijk ongegrond is bevonden. De doorslaggevende reden is dat eiser er ook na overlegging van de Interpol-beslissing niet in is geslaagd nieuwe elementen of bevindingen aan te voeren die afbreuk doen aan het eerder vastgestelde oordeel (onzekerheid: de volledige beslissingstekst is niet beschikbaar).
Impactscore
LaagHet betreft een individuele asielzaak op rechtbankniveau zonder richtinggevende rechtsvragen; de aanhouding voor een Interpol-inzageverzoek is procedureel interessant maar niet uitzonderlijk. De beschikbare tekst is bovendien onvolledig, wat de analyse bemoeilijkt.
Belangrijkste punten
- 1Betreft een opvolgende (vierde of latere) asielaanvraag van een Tadzjiekse man wiens eerdere aanvragen allemaal zijn afgewezen
- 2Minister kwalificeerde de aanvraag als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet
- 3Rechtbank heeft de behandeling aangehouden om eiser de gelegenheid te geven een inzageverzoek bij Interpol af te ronden
- 4Interpol deed op 13 maart 2026 uitspraak op het inzageverzoek; de uitkomst daarvan werd door eiser als aanvullende grond ingebracht
- 5Beoordeling vindt plaats in samenhang met een verzoek om voorlopige voorziening (schorsing van uitzetting)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bevoegdheid en bereidheid van de bestuursrechter om de behandeling aan te houden voor het verkrijgen van bewijs bij internationale organisaties zoals Interpol, maar het inzageverzoek leidde kennelijk niet tot een andere uitkomst. De drempel voor het slagen van een opvolgende asielaanvraag (nova-vereiste) blijft hoog.
Praktische impact
Voor eiser betekent de uitspraak hoogstwaarschijnlijk dat zijn verblijf in Nederland geen rechtmatige grondslag heeft en dat uitzetting naar Tadzjikistan kan worden voortgezet. De aanhouding voor het Interpol-inzageverzoek toont dat rechters in individuele gevallen bereid zijn procedurele ruimte te bieden.
Onderwerp-impact
In asielzaken met een Interpol-dimensie — waarbij vreemdelingen stellen vervolgd te worden op basis van mogelijk onterechte internationale opsporingsverzoeken — biedt deze zaak een praktisch precedent voor het indienen van inzageverzoeken bij Interpol als processtap.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Tadzjiekse man (geboren 1996) die in augustus 2023 een opvolgende asielaanvraag indiende bij de Nederlandse immigratiedienst. Eiser had eerder meerdere asielaanvragen ingediend, die allemaal zijn afgewezen — de eerste al in 2019, waarna ook beroep en hoger beroep faalden. De minister wees ook de opvolgende aanvraag af, ditmaal als kennelijk ongegrond, bij besluit van 26 september 2025. Eiser stelde beroep in en vroeg de rechtbank Den Haag de behandeling aan te houden, omdat hij bij Interpol een inzageverzoek had ingediend. De achtergrond hiervan is vermoedelijk dat eiser wilde aantonen dat er sprake is van een onterecht internationaal opsporingsbericht dat zijn vrees voor vervolging bij terugkeer naar Tadzjikistan ondersteunt. De rechtbank wees het aanhoudingsverzoek toe. Op 13 maart 2026 besliste Interpol op het verzoek, waarna eiser de beslissing en aanvullende gronden indiende. De minister reageerde met een verweerschrift. De zitting vond plaats op 22 juli 2026 en behandelde zowel het beroep als een verzoek om voorlopige voorziening om uitzetting te schorsen. De volledige beslissingstekst is in de beschikbare stukken niet opgenomen, maar op basis van het procesverloop en de kwalificatie 'kennelijk ongegrond' lijkt het beroep ongegrond verklaard. Kennelijk heeft de Interpol-beslissing geen nova opgeleverd die het oordeel van de minister aantasten. De zaak illustreert dat rechters bereid zijn procedurele ruimte te bieden voor bewijsvergaring bij internationale organisaties, maar dat dit eiser in dit geval niet heeft geholpen de hoge drempel van een geslaagde opvolgende asielaanvraag te halen.