JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:26006Laag22/100

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op nareisaanvraag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26006, Rechtbank Den Haag, 07-09-2026, NL26.38826

Rechtbank Den HaagUitspraak: 7 september 2026Publicatie: 8 september 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL26.38826
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Niet Tijdig Beslissen
Dwangsom
Ingebrekestelling
Gezinshereniging
Nareis Asiel

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Beroep niet tijdig, nareis, 8 EVRM, beroep ontvankelijk en gegrond, nadere beslistermijn van 8+12 weken

Kern van de zaak

Een vreemdeling (eiser) heeft een aanvraag ingediend voor een mvv voor gezinshereniging (nareis asiel). De minister besliste niet tijdig op de aanvraag. Na een rechtsgeldige ingebrekestelling en het uitblijven van een besluit stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

Beslissing van de rechter

Het beroep is gegrond verklaard: de minister heeft de beslistermijn overschreden en heeft na ingebrekestelling nog steeds geen besluit genomen. De minister krijgt acht weken om een besluit te nemen, of twintig weken indien nader onderzoek wordt aangeboden, op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag.

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een toepassing van vaste jurisprudentie en wettelijke kaders rondom niet-tijdig beslissen in vreemdelingenzaken; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en het betreft een individuele zaak zonder richtinggevende precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Beslistermijn door de minister overschreden; eiser heeft rechtsgeldig ingebrekestelling verzonden conform artikel 6:12 Awb.
  • 2Beroep niet-tijdig beslissen is kennelijk gegrond verklaard op grond van artikel 6:2 onder b Awb.
  • 3Rechtbank past de uitgangspunten toe uit de uitspraak van 17 maart 2023 (zittingsplaats Arnhem) over nareisaanvragen als bijzonder geval.
  • 4Beslistermijn gesteld op acht weken, verlengbaar tot twintig weken bij aangeboden nader onderzoek.
  • 5Dwangsom van € 50,- per dag bij niet-nakoming van de opgelegde beslistermijn.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij nareisaanvragen een ruimere beslistermijn dan de standaard twee weken kan worden opgelegd, in lijn met de precedentuitspraak van Rechtbank Den Haag zittingsplaats Arnhem van 17 maart 2023. De toepasselijkheid van artikel 6:12 Awb bij niet-tijdig beslissen in vreemdelingenzaken wordt daarmee opnieuw bevestigd.

Praktische impact

De minister is nu gehouden binnen acht (of twintig) weken een besluit te nemen op de nareisaanvraag, bij gebreke waarvan een dwangsom verbeurd raakt. Dit biedt de eiser en zijn gezinsleden concrete rechtsbescherming tegen verdere vertraging.

Onderwerp-impact

In gezinsherenigingszaken (nareis asiel) wordt hiermee nogmaals duidelijk dat bestuursorganen niet onbeperkt kunnen talmen met besluitvorming, ook niet bij complexere vreemdelingendossiers die nader onderzoek vereisen.

Samenvatting

In deze zaak bij Rechtbank Den Haag stond de vraag centraal of de minister (van Justitie en Veiligheid) onrechtmatig heeft nagelaten tijdig te beslissen op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van gezinshereniging nareis asiel. Eiser had een aanvraag ingediend op grond van artikel 8 EVRM en de nationale nareisregeling. Omdat de minister de wettelijke beslistermijn overschreed, stelde eiser een ingebrekestelling in conform artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Toen ook na twee weken geen besluit volgde, ging eiser in beroep bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:2 onder b Awb). De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn inderdaad is overschreden en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het beroep is dan ook kennelijk gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het fictief besluit (het gelijkgestelde niet-beslissen) en legt de minister een nadere beslistermijn op. Daarbij sluit de rechtbank aan bij de uitspraak van 17 maart 2023 van dezelfde rechtbank (zittingsplaats Arnhem), waarin is bepaald dat nareisaanvragen een bijzonder geval vormen dat een ruimere termijn rechtvaardigt dan de standaard twee weken. Nu de minister geen verweerschrift heeft ingediend en onduidelijk is wanneer een besluit te verwachten valt, acht de rechtbank een termijn van acht weken passend, met de mogelijkheid van verlenging tot twintig weken indien de minister besluit tot nader onderzoek en eiser daarvan schriftelijk in kennis stelt. Om naleving te waarborgen, wordt een dwangsom van € 50,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister in gebreke blijft. De uitspraak bevestigt de bestaande rechtslijn en biedt de eiser concrete rechtsbescherming bij verdere vertraging.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 8 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied