Beroep ongegrond: verblijfsvergunning terecht ingetrokken na relatiebreuk
ECLI:NL:RBDHA:2026:25843, Rechtbank Den Haag, 17-07-2026, AWB 25/20244
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag voortgezet verblijf. Geen sprake van schending 8 EVRM. Geen sprake van toepasselijkheid van het beleid ter zake van huiselijk geweld zoals dat is uitgewerkt in paragraaf B9/8.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De minister stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde huiselijk geweld heeft geleid tot verbreking van de relatie. Beroep ongegrond
Kern van de zaak
Een vrouw met een verblijfsvergunning als gezinslid zag haar vergunning ingetrokken nadat haar partner in februari 2025 meldde dat de relatie was verbroken. Zij vroeg vervolgens wijziging van verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden en voerde huiselijk geweld als bijzondere omstandigheid aan. De minister wees de aanvraag af en trok de verblijfsvergunning in.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond; de minister heeft de verblijfsvergunning terecht ingetrokken en de aanvraag voor voortgezet verblijf op humanitaire gronden terecht afgewezen. Doorslaggevend is dat eiseres niet voldeed aan de eis van vijf jaar onafgebroken verblijf en niet aannemelijk heeft gemaakt dat huiselijk geweld tot de relatiebreuk heeft geleid.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk en beleidsmatig routinematige beslissing van de Rechtbank Den Haag in een individueel vreemdelingenzaak, zonder nieuwe rechtsvragen of afwijking van vaste jurisprudentie. De uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de concrete zaak.
Belangrijkste punten
- 1Verblijfsvergunning als gezinslid ingetrokken per datum melding relatiebreuk door partner (7 februari 2025)
- 2Eiseres voldeed niet aan de voorwaarde van vijf jaar onafgebroken verblijf voor voortgezet verblijf
- 3Beroep op huiselijk geweld (B9/8.6 Vc 2000) verworpen wegens onvoldoende aannemelijkheid causaal verband met relatiebreuk
- 4Artikel 8 EVRM (familie- én privéleven) biedt geen bescherming: belangenafweging valt in nadeel van eiseres uit
- 5Toetsing aan bijzondere individuele omstandigheden heeft plaatsgevonden; beroepsgrond dienaangaande faalt
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat een beroep op het huiselijk-geweldbeleid (B9/8.6 Vc 2000) slechts slaagt als aannemelijk is dat het geweld de oorzaak van de relatiebreuk was. Artikel 8 EVRM biedt in dit type zaak geen zelfstandig tegenwicht wanneer niet aan de reguliere verblijfsvoorwaarden is voldaan.
Praktische impact
Eiseres verliest haar verblijfsrecht in Nederland en dient het land te verlaten; hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is binnen vier weken na verzending mogelijk. Zij ontvangt geen proceskostenvergoeding.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen in een afhankelijke verblijfssituatie als gezinslid onderstreept deze uitspraak het belang van tijdig en deugdelijk onderbouwen van bijzondere omstandigheden zoals huiselijk geweld, bij voorkeur vóór of direct na de relatiebreuk.
Samenvatting
Deze zaak draait om een vrouw die sinds 1 september 2021 over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beschikte als gezinslid bij haar partner. Nadat de partner in februari 2025 de relatie officieel beëindigde via een meldingsformulier, trok de minister de verblijfsvergunning in per 7 februari 2025. Eiseres had kort daarvoor, op 9 april 2025, een aanvraag ingediend tot wijziging van haar verblijfsdoel naar 'niet-tijdelijke humanitaire gronden'. De minister wees deze aanvraag af omdat zij niet aan de vereiste vijf jaar onafgebroken verblijf voldeed. Tevens werd het beroep op het huiselijk-geweldbeleid van paragraaf B9/8.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 verworpen, nu eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat het gestelde huiselijk geweld de oorzaak was van de relatiebreuk. De minister achtte de intrekking evenmin in strijd met artikel 8 EVRM: van beschermenswaardig familieleven was geen sprake meer, en de afweging in het kader van privéleven viel in het nadeel van eiseres uit. Voor de rechtbank voerde eiseres aan dat de minister onvoldoende had getoetst aan bijzondere individuele omstandigheden. De rechtbank volgt dit standpunt niet en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres ontvangt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is feitelijk en juridisch in lijn met de bestaande praktijk rondom afhankelijke verblijfsvergunningen: bij het wegvallen van de gezinsband vervalt het verblijfsrecht in beginsel, tenzij bijzondere gronden — zoals aantoonbaar huiselijk geweld als oorzaak van de breuk of langdurig opgebouwd privéleven — een ander oordeel rechtvaardigen. Nu beide gronden in deze zaak niet overtuigend zijn onderbouwd, is de uitkomst weinig verrassend. Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State staat open binnen vier weken na verzending.