Beroep afgewezen: familierechtelijke relatie niet aangetoond
ECLI:NL:RBDHA:2026:25829, Rechtbank Den Haag, 28-08-2026, AWB 24/20637
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en hij beoogt verblijf bij zijn (gestelde) broer (referent). Referent heeft de Spaanse nationaliteit en is dus burger van de Europese Unie. Hij volgt onderwijs in Nederland en heeft zijn hoofdverblijf vanuit Spanje naar Nederland verplaatst. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat verweerder de aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw terecht heeft afgewezen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser moet de gestelde familierechtelijke relatie onderbouwen en hij heeft geen gelegaliseerd en leesbaar officieel bewijsstuk overgelegd waaruit die familierechtelijke relatie blijkt. Eiser heeft na de zitting om heropening van het onderzoek verzocht waarbij hij leesbare en gelegaliseerde kopieën van een familieboekje overgelegd. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen gelet op de ex tunc toetsing. Bovendien heeft verweerder de aanvraag ook op andere gronden afgewezen. Verweerder wordt ook gevolgd in zijn vaststelling dat eiser geen familielid van een Unieburger is in de zin van de Verblijfsrichtlijn en zijn standpunt inzake artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK slaagt niet. Ook eisers beroepsgronden over het evenredigheidsbeginsel, schrijnendheid en het gelijkheidsbeginsel slagen niet. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een Marokkaanse man (eiser) heeft een verblijfsvergunning aangevraagd op basis van een gestelde familierechtelijke relatie met een referent in Nederland. Verweerder (IND) weigerde de aanvraag omdat eiser geen gelegaliseerde en leesbare officiële bewijsstukken overlegde om de familieband aan te tonen. Eiser ging in beroep en stelde dat het besluit in strijd is met het VWEU, het EVRM en het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat eiser zowel in de aanvraagfase als in bezwaar heeft nagelaten gelegaliseerde en leesbare officiële documenten te overleggen ter onderbouwing van de gestelde familierechtelijke relatie, terwijl dat een basisvereiste is voor verblijf als familielid.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen de bestaande bestuursrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke praktijk en bevat geen nieuwe rechtsvragen of precedentscheppende overwegingen. Het betreft een individuele zaak met een standaardtoepassing van de bewijslast bij gezinshereniging.
Belangrijkste punten
- 1Eiser heeft geen gelegaliseerde en leesbare bewijsstukken overgelegd om de familierechtelijke relatie met de referent aan te tonen.
- 2Het vereiste van legalisatie van buitenlandse documenten is een terechte en niet te harde eis bij verblijfsaanvragen op basis van familieband.
- 3Het bestaan van een familierechtelijke relatie is een basisvoorwaarde voor verblijf als familielid; zonder bewijs daarvan kan geen verblijfsrecht worden toegekend.
- 4Een beroep op artikel 20 en 21 VWEU, artikel 8 EVRM en artikel 45 van het EU-Handvest slaagt niet, nu de grondslag voor die rechten (de familieband) niet is aangetoond.
- 5In bezwaar zijn geen nieuwe stukken of nadere onderbouwing aangeleverd, waardoor het besluit ongewijzigd kon worden gehandhaafd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de IND terecht strikte eisen mag stellen aan de bewijsvoering van familierechtelijke relaties bij verblijfsaanvragen, en dat het ontbreken van gelegaliseerde documenten een afdoende grond is voor weigering. Beroepen op EU-verdragsrechten of het EVRM slagen niet zolang de onderliggende familieband niet is aangetoond.
Praktische impact
Eiser krijgt het griffierecht niet terug en ontvangt geen proceskostenvergoeding. Voor andere vreemdelingen met vergelijkbare aanvragen geldt dat zij tijdig gelegaliseerde en leesbare officiële documenten moeten verzamelen en overleggen om de familieband te bewijzen.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht onderstreept deze uitspraak het belang van zorgvuldige documentatie bij gezinsherenigingsaanvragen. Aanvragers met banden in landen waar legalisatie van documenten lastig is, zullen moeten uitleggen waarom documenten niet beschikbaar zijn en alternatieve bewijsmiddelen moeten aandragen.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 augustus 2026 staat de verblijfsaanvraag centraal van een Marokkaanse man die verblijf in Nederland wenste op basis van een gestelde familierechtelijke relatie met een referent. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) weigerde de aanvraag bij primair besluit van 21 mei 2024 en handhaafde deze weigering in bezwaar, omdat eiser geen gelegaliseerde en leesbare officiële documenten overlegde ter onderbouwing van de familieband. Ook in bezwaar werden geen nieuwe stukken ingediend en werd niet toegelicht waarom die stukken niet konden worden overgelegd. De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of de IND terecht en op voldoende gronden de aanvraag heeft geweigerd, en of de gestelde schending van artikel 20 en 21 VWEU, artikel 8 EVRM en artikel 45 van het EU-Handvest aan die weigering in de weg staat. De rechtbank volgt het standpunt van de IND en oordeelt dat het vereiste van gelegaliseerde en leesbare documenten geen onredelijk harde eis is. Het aantonen van een familierechtelijke relatie is een basisvereiste voor verblijf als familielid; zonder enig bewijs van die relatie kunnen de ingeroepen grondrechten geen zelfstandige verblijfsaanspraak creëren. Nu eiser in geen enkel stadium van de procedure ook maar één relevant bewijsstuk heeft overgelegd, en evenmin heeft uitgelegd waarom dat niet mogelijk was, kan de weigering standhouden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en heeft geen recht op vergoeding van proceskosten. De uitspraak is in lijn met vaste jurisprudentie over de bewijslast bij gezinshereniging en heeft geen bredere precedentwerking.