Asielaanvraag Palestijn niet terecht niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:RBDHA:2026:25628, Rechtbank Den Haag, 03-09-2026, NL26.42899 en NL26.42900
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Het gehoor van eiser is onzorgvuldig geweest, nu het voor eiser onvoldoende kenbaar was dat het gehoor betrekking had op zijn eerdere verblijf in Griekenland. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de terugkeer van eiser naar Griekenland niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Uit het IB 2026/1 noch uit andere informatie blijkt dat er sprake is van een verbetering voor Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland. Dat eiser zelfredzaam is heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd.
Kern van de zaak
Een Palestijnse vluchteling uit Gaza vroeg in januari 2026 asiel aan in Nederland, nadat hij eerder in Griekenland vluchtelingenstatus had gekregen. De IND verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser al bescherming genoot in Griekenland. Eiser bestreed dit besluit bij de rechtbank.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de IND, omdat dit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb (onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering). Verweerder moet een nieuw besluit nemen en de asielaanvraag inhoudelijk beoordelen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de praktijk rondom niet-ontvankelijkverklaringen bij statushouders uit andere EU-landen, maar betreft een individuele zaak van een lagere rechter zonder principiële rechtsvraag die nieuw recht stelt.
Belangrijkste punten
- 1Eiser heeft een geldige vluchtelingenstatus in Griekenland (9 november 2023 t/m 8 november 2026), verleend na een aanvraag in september 2023.
- 2De IND verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet, wegens bescherming in Griekenland.
- 3De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd (strijd met artikelen 3:2 en 3:46 Awb).
- 4De veronderstelling van verweerder dat eiser zelfredzaam is in Griekenland en in zijn basisbehoeften kan voorzien, wordt door de rechtbank niet toereikend geacht.
- 5Verweerder is opgedragen de asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen in een nieuw besluit.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een niet-ontvankelijkverklaring op grond van bescherming in een andere EU-lidstaat deugdelijk gemotiveerd moet zijn, met name wat betreft de feitelijke situatie van de vreemdeling in die lidstaat. Onvoldoende onderbouwing van zelfredzaamheid en voorzienbare opvang leidt tot vernietiging.
Praktische impact
Eiser krijgt een inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag in Nederland. Voor de IND betekent dit dat aannames over zelfredzaamheid en opvangmogelijkheden in een andere EU-lidstaat concreet onderbouwd moeten worden alvorens niet-ontvankelijkheid kan worden tegengeworpen.
Onderwerp-impact
Voor Palestijnse asielzoekers met een status in een andere EU-lidstaat die doormigreren naar Nederland biedt deze uitspraak aanknopingspunten om niet-ontvankelijkverklaring aan te vechten indien de feitelijke omstandigheden in de eerste lidstaat onvoldoende zijn meegewogen.
Samenvatting
Een Palestijnse man, geboren in 2003 en afkomstig uit Gaza, is in september 2023 gevlucht vanwege de oorlog, waarbij zijn huis werd verwoest en familieleden omkwamen. Hij vroeg asiel aan in Griekenland, waar hem op 9 november 2023 een vluchtelingenstatus werd verleend geldig tot 8 november 2026. Na een verblijf van enkele maanden in Griekenland reisde hij door naar meerdere Europese landen en vroeg op 20 januari 2026 asiel aan in Nederland. De IND verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, omdat eiser reeds internationale bescherming genoot in Griekenland. Verweerder stelde dat eiser een band met Griekenland had en zich daar kon redden, onder meer omdat hij er had gewerkt, zelfstandig woonruimte had gevonden en geen hulp van ngo's had ingeroepen. De rechtbank Den Haag oordeelde dat dit besluit in strijd was met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, die respectievelijk zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering vereisen. De rechtbank stelde vast dat de Griekse vluchtelingenstatus en de geldigheid daarvan tussen partijen niet in geschil waren, maar dat de conclusie van verweerder dat eiser in Griekenland in zijn meest basale behoeften kan voorzien onvoldoende feitelijk was onderbouwd. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen en de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te beoordelen. De overige gronden van beroep bleven onbesproken.