JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:25349Laag28/100

EU-burger had drie maanden rechtmatig verblijf op Terugtrekkingsakkoord

ECLI:NL:RBDHA:2026:25349, Rechtbank Den Haag, 31-08-2026, NL24.17834

Rechtbank Den HaagUitspraak: 31 augustus 2026Publicatie: 3 september 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL24.17834
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Rechtmatig Verblijf
Eu Burger
Verblijfsrichtlijn
Terugtrekkingsakkoord
Brexit

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Artikel 18 en 19, Terugtrekkingsakkoord; artikel 7, eerste lid, Verblijfsrichtlijn Verweerder heeft een melding van de gemeente ontvangen dat eiser, samen met zijn echtgenote, met ingang van 26 juli 2022 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet ontvangt. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder nader onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van eisers verblijf. Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser nooit rechtmatig verblijf op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad en meegedeeld dat het aan eiser afgegeven verblijfsdocument wordt ingenomen. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, toegelicht dat eiser in de periode van 15 oktober 2020 (de datum van zijn binnenkomst in Nederland) tot en met 15 januari 2021 voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dit betekent dat eiser tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf had op grond van het Terugtrekkingsakkoord. De vaststelling in het bestreden besluit dat eiser nooit rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van het Terugtrekkingsakkoord is volgens de rechtbank in zoverre dan ook niet juist. De rechtbank volgt verweerder echter wel in zijn standpunt dat eiser na 15 januari 2021 niet voldeed aan de voorwaarden van (voortgezet) rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dit betekent dat eiser zijn rechtmatig verblijf overeenkomstig het Unierecht na 15 januari 2021 niet heeft voortgezet en dat hij daarom vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer had op grond van het Terugtrekkingsakkoord. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het algemeen belang bij verwijdering van eiser uit Nederland zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het voortzetten van zijn verblijf in Nederland. Ook heeft verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiser en zijn gezin laten uitvallen. Gezien het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover verweerders vaststelling daarin dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad ziet op de periode tot en met 15 januari 2021. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren, het primaire besluit in zoverre te herroepen en vast te stellen dat eiser tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Voor het overige laat de rechtbank het bestreden besluit in stand.

Kern van de zaak

Een EU-burger (eiser) die op 15 oktober 2020 Nederland binnenkwam, bestreed de vaststelling van de IND (verweerder) dat hij nooit rechtmatig verblijf had gehad op grond van het Terugtrekkingsakkoord (Brexit-akkoord). De eiser procedeerde tegen dit besluit bij de Rechtbank Den Haag.

Beslissing van de rechter

Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard: de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser tot en met 15 januari 2021 wél rechtmatig verblijf had op grond van het Terugtrekkingsakkoord (drie maanden op basis van art. 6 lid 1 Verblijfsrichtlijn). Voor de periode daarna blijft het bestreden besluit in stand, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf ex art. 7 lid 1 Verblijfsrichtlijn.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een feitelijk beperkte uitspraak van een rechtbank van eerste aanleg over een individueel geval, waarbij verweerder zijn standpunt ter zitting al corrigeerde. De juridische meerwaarde is beperkt omdat het drie-maandenrecht van art. 6 Verblijfsrichtlijn een gevestigd beginsel is.

Belangrijkste punten

  • 1Verweerder erkende ter zitting dat eiser van 15 oktober 2020 tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verbleef op grond van art. 6 lid 1 Verblijfsrichtlijn (drie-maandenrecht zonder nadere voorwaarden).
  • 2De oorspronkelijke vaststelling dat eiser 'nooit' rechtmatig verblijf had gehad op grond van het Terugtrekkingsakkoord was onjuist en wordt gedeeltelijk herroepen.
  • 3Na 15 januari 2021 voldeed eiser niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf (art. 7 lid 1 Verblijfsrichtlijn), waardoor het verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord eindigde.
  • 4De rechtbank laat het bestreden besluit voor het overige in stand: de rechtspositionele gevolgen na 15 januari 2021 blijven ongewijzigd.
  • 5De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit; proceskosten zijn toegewezen (€ 934,- met wegingsfactor 1).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat EU-burgers die vóór het einde van de Brexit-overgangsperiode Nederland binnenreisden, in beginsel aanspraak kunnen maken op het drie-maandenverblijfsrecht van art. 6 Verblijfsrichtlijn onder het Terugtrekkingsakkoord, ook als zij nadien niet voldeden aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf.

Praktische impact

Voor eiser betekent de uitspraak erkenning van rechtmatig verblijf over een beperkte periode, wat gevolgen kan hebben voor de beoordeling van zijn verblijfsgeschiedenis. Voor vergelijkbare gevallen biedt de uitspraak een aanknopingspunt bij procedures over de begindatum van verblijfsrecht onder het Terugtrekkingsakkoord.

Onderwerp-impact

In het vreemdelingenrecht rond de Brexit-overgangsperiode benadrukt deze zaak dat bestuursorganen zorgvuldig moeten differentiëren tussen de verschillende fasen van verblijfsrecht en niet categorisch mogen stellen dat iemand 'nooit' rechtmatig verblijf heeft gehad.

Samenvatting

Deze zaak betreft een EU-burger die op 15 oktober 2020 Nederland binnenkwam en van wie de IND had vastgesteld dat hij nooit rechtmatig verblijf had gehad op grond van het Terugtrekkingsakkoord (het akkoord dat de rechten van EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk en vice versa regelt na de Brexit). Eiser bestreed dit besluit bij de Rechtbank Den Haag. De centrale juridische vraag was of eiser in de periode direct na zijn aankomst rechtmatig verblijf had op grond van het Terugtrekkingsakkoord, en zo ja, voor welke periode. Ter zitting erkende verweerder dat eiser van 15 oktober 2020 tot en met 15 januari 2021 — een periode van drie maanden — rechtmatig verblijf had op grond van artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Op basis van deze bepaling heeft een burger van de Unie het recht gedurende maximaal drie maanden in een andere lidstaat te verblijven, zonder andere vereisten dan het bezit van een geldig reisdocument. De eerdere vaststelling dat eiser 'nooit' rechtmatig verblijf had gehad, was daarmee in zoverre onjuist. De rechtbank onderschreef dit herziene standpunt en verklaarde het beroep op dit punt gegrond. Het bestreden besluit werd vernietigd voor zover het betrekking had op de periode tot en met 15 januari 2021, en de rechtbank stelde zelf vast dat eiser gedurende die periode rechtmatig verblijf had. Voor de periode na 15 januari 2021 bleef het besluit in stand: eiser voldeed toen niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, zodat zijn verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord na die datum was geëindigd. De uitspraak illustreert het belang van een nauwkeurige tijdlijnanalyse bij verblijfsrechtelijke procedures in de context van de Brexit-overgangsperiode en bevestigt dat het dremaandenrecht van artikel 6 Verblijfsrichtlijn ook onder het Terugtrekkingsakkoord van toepassing was.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied