Minister verplicht tot beslissen op aanvraag binnen twee weken
ECLI:NL:RBDHA:2026:25018, Rechtbank Den Haag, 19-08-2026, NL26.26830
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Samenhangende zaken, beroepen niet tijdig, 8 EVRM-aanvragen, vrijstelling griffierecht, beroepen ontvankelijk en gegrond, verweerschrift, fifo-beleid niet van toepassing op 8 EVRM-aanvragen, nadere beslistermijn van 2 weken
Kern van de zaak
Eisers hebben beroep ingesteld bij Rechtbank Den Haag wegens het niet tijdig beslissen door de minister op hun aanvragen in het kader van het EVRM. Na geldige ingebrekestelling en het uitblijven van een besluit zijn de beroepen ingediend.
Beslissing van de rechter
De beroepen zijn gegrond verklaard; de rechtbank draagt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Doorslaggevend is dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en het beroep op het fifo-beleid niet opgaat omdat dat beleid uitsluitend van toepassing is op nareisaanvragen.
Impactscore
LaagHet betreft een relatief standaard niet-tijdig-beslissen-zaak op zittingsniveau met een beperkte principiële meerwaarde; de verduidelijking over de reikwijdte van het fifo-beleid heeft enige praktische waarde maar stelt geen nieuw recht.
Belangrijkste punten
- 1De minister heeft de wettelijke beslistermijn op de aanvragen overschreden, waartegen eisers na geldige ingebrekestelling beroep konden instellen.
- 2De rechtbank verwerpt het beroep van de minister op het fifo-beleid, omdat dit beleid enkel geldt voor nareisaanvragen en de onderhavige aanvragen daar niet onder vallen.
- 3De gevraagde nadere beslistermijn van twintig weken (met verwachte behandeling in januari 2028) wordt niet gehonoreerd; twee weken volstaat.
- 4Bij overschrijding van de opgelegde termijn verbeurt de minister een dwangsom van € 50,- per dag tot een maximum van € 15.000,-.
- 5Eisers zijn vrijgesteld van griffierecht en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 700,50,-.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het fifo-beleid strikt beperkt is tot nareisaanvragen en niet als rechtvaardiging kan dienen voor trage besluitvorming in andere EVRM-gerelateerde aanvragen. Bestuursorganen kunnen niet door verwijzing naar werkvoorraden of beleidsmatige prioriteringen een langere nadere beslistermijn afdwingen als de wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.
Praktische impact
Eisers worden door de tweeweekstermijn en dwangsomregeling effectief beschermd tegen verder uitstel; de minister is gehouden onverwijld een inhoudelijk besluit te nemen op de aanvragen in plaats van deze tot januari 2028 te laten wachten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken benadrukt deze uitspraak dat niet-nareisaanvragen niet worden meegenomen in het fifo-beleid, hetgeen de rechtspositie van deze groep aanvragers versterkt ten aanzien van tijdige besluitvorming.
Samenvatting
In deze zaak bij Rechtbank Den Haag stelden eisers beroep in tegen het uitblijven van een tijdig besluit van de minister op hun aanvragen, die kennelijk verband houden met rechten onder het EVRM. Nadat de wettelijke beslistermijn was verstreken, hebben eisers de minister rechtsgeldig schriftelijk in gebreke gesteld. Toen ook binnen de daaropvolgende twee weken geen besluit volgde, deden eisers beroep instellen. De rechtbank stelde vast dat de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond zijn. De minister voerde in het verweerschrift aan dat het zogenoemde fifo-beleid (first in, first out) van toepassing zou zijn en verzocht de rechtbank een nadere beslistermijn van twintig weken op te leggen, met als verwachting dat de aanvragen pas in januari 2028 in behandeling zouden worden genomen. De rechtbank verwierp dit verweer uitdrukkelijk: het fifo-beleid geldt uitsluitend voor nareisaanvragen, en de onderhavige aanvragen vallen daar niet onder. Overige omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen, zijn evenmin gebleken. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen en droeg de minister op om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Om naleving te verzekeren werd een dwangsom opgelegd van € 50,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Voorts werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 700,50,-, terwijl eisers vrijstelling kregen van de griffierechtplicht. De uitspraak onderstreept dat bestuursorganen niet door een beroep op beleidsmatige werkvoorraadprioriteiten de wettelijk voorgeschreven beslistermijnen structureel terzijde kunnen schuiven.