Asielaanvraag Venezolanen gegrond verklaard na kennelijk ongegrond besluit
ECLI:NL:RBDHA:2026:25017, Rechtbank Den Haag, 28-08-2026, NL24.30032 Rectificatie
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)VA Venezuela. Problemen van eisers en hun familie met bendeleden. Problemen vanwege eiseres haar politieke mening. Artikel 8 van het EVRM. Belangen van het kind. Het beroep is gegrond.
Kern van de zaak
Een Venezolaanse moeder en haar minderjarige kind dienden een asielaanvraag in bij de Nederlandse autoriteiten. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond. Eisers gingen in beroep bij de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam).
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep gegrond: de minister heeft de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. De doorslaggevende reden is niet volledig uit de beschikbare tekst af te leiden, maar de rechtbank past het recht toe zoals dat gold vóór 12 juni 2026 (inwerkingtreding Asiel- en Migratiepact), conform het overgangsrecht.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een individuele zaak op zittingsplaatsniveau met beperkte precedentwerking; de overgangsrechtelijke overwegingen zijn wel relevant voor vergelijkbare lopende zaken maar zijn niet fundamenteel rechtsbepalend.
Belangrijkste punten
- 1De asielaanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026, waardoor het oude recht (Vw en Vb vóór het Asiel- en Migratiepact) van toepassing is op grond van het overgangsrecht.
- 2Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden, waarbij de Kwalificatierichtlijn is vervangen door de Kwalificatieverordening zonder overgangsrecht.
- 3De rechtbank verricht op grond van arresten van het HvJEU van 4 juni 2026 een volledig en ex nunc onderzoek naar het asielrelaas.
- 4De uitspraak betreft tevens een rectificatie van de proceskostenveroordeling in de oorspronkelijke uitspraak van 12 september 2024.
- 5De rechtbank verklaart het beroep gegrond, wat betekent dat het besluit van de minister niet in stand kan blijven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van het overgangsrecht bij het Asiel- en Migratiepact en de wisselwerking tussen de Kwalificatieverordening (zonder overgangsrecht) en nationale procedurele regels. De ex nunc-toetsing op basis van recente HvJEU-arresten krijgt hierdoor concrete invulling in de Nederlandse rechtspraktijk.
Praktische impact
Voor eisers betekent de gegrondverklaring dat de afwijzing als kennelijk ongegrond wordt vernietigd en de minister opnieuw moet beslissen op de asielaanvraag. De Venezolaanse moeder en haar kind kunnen vooralsnog niet worden uitgezet.
Onderwerp-impact
Voor asielzaken ingediend vóór 12 juni 2026 biedt deze uitspraak duidelijkheid over welk recht van toepassing is, wat relevant is voor een groot aantal lopende procedures in de overgangsperiode na inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) betreft het beroep van een Venezolaanse moeder (geboren 1992) en haar minderjarige kind (geboren 2010) tegen de afwijzing van hun asielaanvraag als kennelijk ongegrond door de minister. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, zodat het bestreden besluit geen stand houdt en de minister opnieuw zal moeten beslissen. Een belangrijk juridisch kader in de uitspraak betreft de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026. Omdat de asielaanvraag vóór die datum is ingediend, is op grond van het overgangsrecht (artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet) het oude recht van toepassing. De rechtbank past derhalve de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit toe zoals deze golden vóór 12 juni 2026. Tegelijkertijd wijst de rechtbank erop dat de Kwalificatieverordening — die de Kwalificatierichtlijn vervangt — geen overgangsrecht kent. Mede op basis van recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026 verricht de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar het asielrelaas. De uitspraak bevat tevens een rectificatie van de proceskostenveroordeling ten opzichte van de eerder gedane uitspraak van 12 september 2024. De inhoudelijke motivering voor de gegrondverklaring is in de beschikbare tekst onvolledig weergegeven, waardoor de precieze gronden voor de gegrondverklaring niet volledig kunnen worden vastgesteld. De zaak heeft beperkte precedentwerking als individuele beslissing, maar is illustratief voor de overgangsrechtelijke vraagstukken die spelen bij asielaanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact.