Beroep deels gegrond: minister moet beslissen over humanitaire vergunning
ECLI:NL:RBDHA:2026:25005, Rechtbank Den Haag, 18-08-2026, NL25.48229
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanvraag artikel 20 VWEU document terecht afgewezen want geen sprake van bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en meerjarige dochter zoals bedoeld in K.A.-arrest. Ook geen recht op vergunning op grond van artikel 8 EVRM. De minister heeft aanvraag niet-tijdelijk humanitair niet beoordeeld. Daarom is het beroep gegrond.
Kern van de zaak
Een vrouw (eiseres) heeft een verblijfsvergunning aangevraagd in Nederland, deels op basis van afgeleid verblijfsrecht (artikel 20 VWEU) via haar meerderjarige dochter met EU-burgerschap, en deels op humanitaire gronden. De minister wees de aanvraag af omdat geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie met de meerderjarige dochter zou bestaan en de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM in het nadeel van eiseres uitviel. Eiseres ging in beroep bij de rechtbank.
Beslissing van de rechter
Het beroep is deels gegrond verklaard: het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. De doorslaggevende reden is dat de minister heeft nagelaten een besluit te nemen op dit specifieke onderdeel van de aanvraag, wat een omissie vormt die rechtsherstel vereist.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele vreemdelingenzaak waarbij de gegrondverklaring enkel ziet op een procedurele omissie (niet beslissen op één onderdeel); er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de inhoudelijke beoordeling van artikel 20 VWEU en artikel 8 EVRM blijft ongewijzigd.
Belangrijkste punten
- 1Minister heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden.
- 2Afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU afgewezen: geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie met meerderjarige dochter conform het K.A.-arrest.
- 3Belangenafweging artikel 8 EVRM (gezins- en privéleven) valt in het nadeel van eiseres uit.
- 4Minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen op het bezwaar ten aanzien van de niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning.
- 5Minister dient griffierecht (€ 164,-) en proceskosten (€ 1.868,-) te vergoeden aan eiseres.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een bestuursorgaan gehouden is op alle onderdelen van een aanvraag expliciet te beslissen; het nalaten hiervan leidt tot vernietiging van het besluit op dat onderdeel. De toepassing van het K.A.-arrest bij de beoordeling van afgeleid EU-verblijfsrecht voor derdelanders met een meerderjarig EU-kind wordt bevestigd.
Praktische impact
Eiseres heeft nog geen verblijfsvergunning verkregen, maar dwingt de minister wel tot het alsnog nemen van een inhoudelijk besluit over de humanitaire vergunning binnen zes weken. De proceskosten en het griffierecht worden terugbetaald.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke procedures met meerdere gronden moeten bestuursorganen op elk afzonderlijk verzoek een expliciete beslissing nemen; een omissie op één onderdeel kan leiden tot gedeeltelijke gegrondverklaring en een opdracht tot herbeslissing.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 augustus 2026 uitspraak gedaan in het beroep van een vrouw (eiseres) tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland. Eiseres had een aanvraag ingediend op meerdere grondslagen: afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU (via haar meerderjarige dochter die EU-burger is), een beroep op artikel 8 EVRM (gezins- en privéleven) en een verzoek om een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister wees de aanvraag integraal af. Ten aanzien van het EU-verblijfsrecht oordeelde de minister dat geen sprake was van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met de meerderjarige dochter in de zin van het K.A.-arrest van het Hof van Justitie EU, waardoor het afgeleid verblijfsrecht per 1 november 2022 was komen te vervallen. Ook de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM viel in het nadeel van eiseres uit. De rechtbank oordeelt dat de afwijzingen op deze onderdelen in stand blijven. Echter, de rechtbank stelt vast dat de minister heeft nagelaten een besluit te nemen op het verzoek om een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Dit verzuim is onrechtmatig: een bestuursorgaan is verplicht op alle onderdelen van een aanvraag een expliciete beslissing te nemen. Op grond hiervan verklaart de rechtbank het beroep gedeeltelijk gegrond en vernietigt zij het besluit van 17 september 2025 voor zover daarin geen besluit is genomen over de humanitaire verblijfsvergunning. De minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op dit onderdeel van het bezwaar. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht (€ 164,-) en de proceskosten (€ 1.868,-). De uitkomst is voor eiseres een gedeeltelijke procedurele overwinning: zij heeft nog geen verblijfsvergunning, maar behoudt haar kans via een nog te nemen beslissing op de humanitaire grondslag.