Beroep nareis pleegkinderen ongegrond wegens ontbreken feitelijke pleegrelatie
ECLI:NL:RBDHA:2026:24985, Rechtbank Den Haag, 13-08-2026, NL25.26289
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Mvv-aanvraag, nareis, pleegkind, Sierra Leone, feitelijke pleegrelatie, voogdijschap, gewoonterecht, artikel 8 EVRM, beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Twee minderjarige eisers uit een land buiten Nederland willen via nareis naar Nederland komen als pleegkinderen van hun biologische zus (referente), die een asielstatus heeft. De ouders zijn respectievelijk in 2014 en 2018 overleden. De minister wees de aanvragen af omdat op het peilmoment van binnenkomst van referente (oktober 2019) geen sprake was van een feitelijke of officiële pleegrelatie.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat op het relevante peilmoment (binnenkomst referente in Nederland, oktober 2019) geen feitelijke pleegrelatie bestond: referente vluchtte direct na het overlijden van de moeder naar Nederland, de eisers verbleven sindsdien bij ooms, de voogdijverklaring dateert pas uit 2022, en referente verklaarde zelf in haar aanmeldgehoor geen pleegkinderen te hebben.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele, feitelijk gedreven uitkomst in eerste aanleg die de bestaande lijn in nareiszaken bevestigt zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de juridische betekenis reikt niet verder dan de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Het peilmoment voor de beoordeling van de gezinsband bij nareis is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland (art. 29 lid 2 Vw).
- 2Op het peilmoment (oktober 2019) bestond geen officiële pleegrelatie; de voogdijverklaring werd pas in 2022 geregeld.
- 3Referente verklaarde zelf in haar aanmeldgehoor geen pleegkinderen te hebben, hetgeen haar geloofwaardigheid ondermijnt.
- 4Na het overlijden van de moeder verbleven eisers bij ooms, niet bij referente; er was dus geen feitelijke pleegrelatie.
- 5Louter assisteren bij de opvoeding vóór het overlijden van de ouders is onvoldoende om een pleegrelatie aan te nemen; ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM was niet vereist.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het peilmoment bij nareis en verduidelijkt dat zowel een feitelijke als een formele pleegrelatie op dat moment aannemelijk moet zijn gemaakt. Eigen verklaringen van de referent bij aanmeldgehoor worden zwaar meegewogen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling.
Praktische impact
Eisers krijgen geen verblijfsvergunning op basis van nareis en ontvangen geen proceskostenvergoeding; zij dienen eventueel hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Onderwerp-impact
Voor vluchtelingen en statushouders die nareisaanvragen indienen voor familieleden in een pleegrelatie is tijdige formalisering en aantoonbare feitelijke verzorging vóór het peilmoment cruciaal voor het slagen van de aanvraag.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag verzochten twee minderjarige kinderen via een nareisprocedure een verblijfsvergunning in Nederland op grond van een pleegrelatie met hun biologische zus, die sedert oktober 2019 een asielstatus in Nederland heeft. Beide ouders zijn eerder overleden (vader in 2014, moeder in 2018). De minister wees de aanvragen af en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond. De centrale juridische vraag was of op het relevante peilmoment — de binnenkomst van referente in Nederland in oktober 2019 — sprake was van een feitelijke dan wel formele pleegrelatie in de zin van artikel 29, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank stelt vast dat aan dit vereiste niet is voldaan. Referente is namelijk direct na het overlijden van de moeder naar Nederland gevlucht en heeft sindsdien geen feitelijke verzorging van de eisers op zich genomen; zij verbleven achtereenvolgens bij twee ooms. Bovendien heeft referente in haar aanmeldgehoor uitdrukkelijk verklaard geen pleegkinderen te hebben, wat haar latere stellingen aanzienlijk ondermijnt. De formele voogdijverklaring dateert pas uit 2022, ruim na het peilmoment. Het enkel meehelpen bij de opvoeding vóór het overlijden van de ouders kwalificeert niet als een pleegrelatie. De minister was evenmin gehouden ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM. Op grond van dit alles verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Eisers ontvangen geen proceskostenvergoeding en hebben de mogelijkheid hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak illustreert het belang van tijdige formalisering van een pleegrelatie en van consistente verklaringen in de vroegste fase van de asielprocedure.