Asielaanvraag gegrond: IND moet nieuw besluit nemen
ECLI:NL:RBDHA:2026:24913, Rechtbank Den Haag, 20-08-2026, NL25.61727
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Einduitspraak na tussenuitspraak. Eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Verenigde Staten het risico loopt veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling. Verweerder heeft niet alle twijfels weggenomen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Gebrek in het bestreden besluit is met het aanvullende besluit niet hersteld. Beroep gegrond.
Kern van de zaak
Een asielzoekster (eiseres) heeft beroep ingesteld tegen een afwijzend besluit van de IND op haar asielaanvraag. De rechtbank had eerder op 12 mei 2026 een tussenuitspraak gedaan en de IND in de gelegenheid gesteld een aanvullend besluit te nemen. Ook dat aanvullende besluit voldeed niet aan de door de rechtbank gestelde eisen.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard en zowel het bestreden besluit als het aanvullende besluit zijn vernietigd. De IND wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, met inachtneming van de tussenuitspraak van 12 mei 2026 en de einduitspraak. De IND is daarnaast veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.335,-.
Impactscore
MiddelHet betreft een individuele asielprocedure waarbij de uitkomst (vernietiging en hernieuwde besluitvorming) voortvloeit uit een eerder getrapte tussenuitspraakprocedure. De verwijzing naar EHRM-jurisprudentie is relevant maar niet vernieuwend; de zaak heeft geen precedentwerking buiten de individuele context.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank had eerder in een tussenuitspraak (12 mei 2026) gebreken geconstateerd in het besluit van de IND en verweerder de kans gegeven dit te herstellen.
- 2Het door de IND genomen aanvullende besluit heeft de geconstateerde gebreken niet hersteld, waarna de rechtbank definitief heeft vernietigd.
- 3De rechtbank verwijst naar EHRM-jurisprudentie over de bewijslast in asielzaken, waaronder RC tegen Zweden (2010) en MA tegen Zwitserland (2014), over het aandragen van bewijs dat een risico aantoont.
- 4Zowel het primaire bestreden besluit als het aanvullende herstelbesluist zijn vernietigd; verweerder moet opnieuw beslissen.
- 5De IND is veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de rechter bij asielbeslissingen actief toetst aan EHRM-normen inzake bewijsstandaarden en dat een aanvullend besluit dat gemaakte gebreken niet herstelt, eveneens wordt vernietigd. De verwijzing naar EHRM-rechtspraak over de bewijslast onderstreept de Europeesrechtelijke dimensie van de asieltoetsing.
Praktische impact
Eiseres heeft alsnog recht op een inhoudelijk deugdelijk besluit van de IND op haar asielaanvraag, wat haar rechtspositie versterkt. De IND moet een nieuw, zorgvuldig gemotiveerd besluit nemen met inachtneming van de aanwijzingen uit beide uitspraken.
Onderwerp-impact
In asiel- en vreemdelingenzaken benadrukt deze uitspraak het belang van een zorgvuldige motivering door de IND en het correct toepassen van Europese bewijsstandaarden bij de beoordeling van asielverzoeken.
Samenvatting
In deze asielprocedure bij de Rechtbank Den Haag had eiseres beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar asielaanvraag door de IND (verweerder). De rechtbank had op 12 mei 2026 reeds een tussenuitspraak gedaan, waarbij zij gebreken in het besluit van de IND had vastgesteld en verweerder in de gelegenheid had gesteld een aanvullend besluit te nemen. De centrale juridische vraag was of de IND met het aanvullende besluit de eerder geconstateerde gebreken voldoende had hersteld, en of het besluit daarmee in overeenstemming was met de toepasselijke (Europese) normen voor de beoordeling van asielverzoeken. De rechtbank oordeelde dat ook het aanvullende besluit niet voldeed aan de gestelde eisen. Zij vernietigt daarom zowel het oorspronkelijke bestreden besluit als het aanvullende besluit en draagt de IND op om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiseres, met inachtneming van de aanwijzingen uit de tussenuitspraak van 12 mei 2026 én de einduitspraak van 20 augustus 2026. Daarbij verwijst de rechtbank naar relevante EHRM-jurisprudentie over de bewijslast in asielzaken, waaronder de arresten RC tegen Zweden (2010) en MA tegen Zwitserland (2014), die betrekking hebben op de standaard dat een asielzoeker bewijs moet kunnen aandragen dat een reëel risico aantoont. Tot slot wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-. Deze uitspraak illustreert hoe de bestuursrechter bij asielbeslissingen actief toetst aan Europese mensenrechtennormen en dat een herstelbesluit dat de gebreken niet wegneemt, even hard wordt getroffen als het oorspronkelijke besluit. Voor eiseres betekent dit dat zij recht heeft op een nieuw, inhoudelijk zorgvuldig gemotiveerd besluit van de IND.