Vreemdelingenbewaring ondanks gebrek in ophoudingsgrondslag rechtmatig
ECLI:NL:RBDHA:2026:23821, Rechtbank Den Haag, 20-08-2026, NL26.44835
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Kennisgeving, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een gebrek in het voortraject, dit maakt de maatregel van vreemdelingenbewaring echter niet onrechtmatig. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser met de informatiefolder onjuist geïnformeerd is over de redenen van vreemdelingenbewaring, zodat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht. Ook dit gebrek leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. Omdat voor het gebrek in het voortraject al een proceskostenvergoeding wordt toegekend, bestaat voor dit tweede gebrek geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenvergoeding. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser geen bijzondere omstandigheden in het kader van het recht op familie- en gezinsleven onder artikel 8 van het EVRM heeft aangevoerd die de minister bij het opleggen van een lichter middel had moeten betrekken. Beroep ongegrond, wel pkv.
Kern van de zaak
Een vreemdeling bestreed zijn inbewaringstelling omdat in het proces-verbaal een andere ophoudingsgrondslag stond vermeld dan in model M105-A. De vreemdeling stelde dat deze tegenstrijdigheid het voortraject gebrekkig maakte en de bewaring onrechtmatig.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard en de vordering tot schadevergoeding afgewezen. Hoewel de rechtbank een gebrek in het voortraject vaststelt (tegenstrijdige ophoudingsgrondslagen), weegt de ernst van dit gebrek niet op tegen het belang van de minister bij de inbewaringstelling, omdat voldoende bewaringsgronden aanwezig zijn en de vreemdeling niet aantoonbaar in zijn belangen is geschaad.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande jurisprudentie toe over de evenredigheidstoets bij gebreken in het voortraject van vreemdelingenbewaring en stelt geen nieuwe rechtsregels. Het betreft een feitelijke toepassing op een individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Tegenstrijdigheid tussen het proces-verbaal (art. 50 lid 2 Vw) en model M105-A (art. 50 lid 3 Vw) levert een vastgesteld gebrek op in het voortraject.
- 2Een gebrek in de wijze waarop een vreemdeling in de macht van de minister is gebracht, maakt de inbewaringstelling pas onrechtmatig bij onevenredigheid tussen de ernst van het gebrek en de gediende belangen.
- 3De minister had voldoende onbetwiste bewaringsgronden aangevoerd, waaronder een aanwezig onderduikrisico.
- 4Niet is gesteld noch gebleken dat de vreemdeling daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad door de onjuiste grondslag.
- 5De proceskosten worden toegewezen aan de vreemdeling (€ 1.868,-) ondanks het ongegronde beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de evenredigheidstoets bij gebreken in het voortraject van vreemdelingenbewaring: niet elk formeel gebrek leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De rechter weegt de ernst van het gebrek af tegen de belangen die met de bewaring worden gediend.
Praktische impact
Voor vreemdelingen betekent dit dat louter formele gebreken in de ophoudingsdocumentatie onvoldoende zijn om vrijlating te bewerkstelligen, tenzij aantoonbare benadeling of onevenredigheid wordt aangetoond. Voor de minister benadrukt het belang van consistente documentatie, ook al levert inconsistentie hier geen onrechtmatigheid op.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke procedures rond bewaring wordt de lat voor succesvol beroep op procedurele gebreken bevestigd als relatief hoog: de vreemdeling moet concrete benadeling aannemelijk maken.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 20 augustus 2026 staat de rechtmatigheid van een maatregel van vreemdelingenbewaring centraal. De vreemdeling (eiser) bestreed zijn inbewaringstelling op de grond dat het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 6 augustus 2026 een andere ophoudingsgrondslag vermeldde dan model M105-A. Waar het model M105-A de ophouding baseerde op artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) – omdat de identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en illegaal verblijf bleek – verwees het proces-verbaal naar artikel 50, tweede lid, Vw, op basis waarvan de identiteit juist niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Partijen waren het erover eens dat artikel 50, derde lid, de juiste grondslag was. De rechtbank stelt vast dat deze tegenstrijdigheid een gebrek oplevert in het voortraject van de inbewaringstelling. Echter, niet elk gebrek in de wijze waarop een vreemdeling in de macht van de minister is gebracht, leidt automatisch tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank past de evenredigheidstoets toe: het gebrek maakt de inbewaringstelling slechts onrechtmatig indien de daarmee te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In dit geval oordeelt de rechtbank dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring zijn gediend. De minister had voldoende, onbetwiste bewaringsgronden aangevoerd die een reëel onderduikrisico aannemelijk maken. Bovendien heeft de vreemdeling niet gesteld, laat staan aangetoond, dat hij door de onjuiste ophoudingsgrondslag daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad. Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard en de vordering tot schadevergoeding afgewezen. De minister wordt wel veroordeeld tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.