Vreemdelingenbewaring rechtmatig, beroep ongegrond verklaard
ECLI:NL:RBDHA:2026:23566, Rechtbank Den Haag, 07-08-2026, NL26.42346
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bewaring, 8 EVRM, ongegrond.
Kern van de zaak
Een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf is door de staatssecretaris in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en verzocht om schadevergoeding, stellende dat de bewaring onrechtmatig is.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de vreemdelingenbewaring rechtmatig is opgelegd, waarbij voldaan is aan de wettelijke vereisten waaronder het bestaan van een onderduikrisico en/of belemmering van de uitzettingsprocedure.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige bewaartoets op rechtbankniveau zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen; de uitspraak is sterk feitelijk bepaald en de tekst is bovendien onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1Vreemdelingenbewaring is slechts toegestaan indien geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast (subsidiariteitsbeginsel)
- 2De maatregel kan worden opgelegd wegens onderduikrisico (mits minimaal twee gronden ex art. 5.6 lid 2 Vb aanwezig zijn) of belemmering van de uitzettingsprocedure
- 3Verweerder heeft de maatregel opgelegd op grond van openbare orde en/of nationale veiligheid
- 4De rechtbank verklaart het beroep ongegrond: de bewaring voldoet aan de wettelijke vereisten
- 5Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen; geen proceskostenveroordeling
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de wettelijke systematiek rond vreemdelingenbewaring, in het bijzonder het vereiste van meervoudige gronden voor onderduikrisico ex artikel 5.6 lid 2 Vb. De uitkomst is procedueel van aard en stelt geen nieuwe rechtsnormen.
Praktische impact
De vreemdeling blijft in bewaring en ontvangt geen schadevergoeding. Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State staat open.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen in bewaring bevestigt deze uitspraak dat de rechter de subsidiariteitstoets en de gronden voor onderduikrisico strikt toetst, maar bij voldoende onderbouwing de maatregel in stand laat.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag staat de rechtmatigheid van een maatregel van vreemdelingenbewaring centraal. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in bewaring gesteld op grond van het belang van de openbare orde en/of nationale veiligheid. De vreemdeling tekende beroep aan tegen deze maatregel en verzocht de rechtbank tevens om toekenning van schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring. De rechtbank toetste de maatregel aan de wettelijke vereisten van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit. Bewaring is alleen toegestaan indien geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast (subsidiariteitsbeginsel) en dient te worden beëindigd zodra zij niet langer noodzakelijk is. De grond voor bewaring kan zijn gelegen in een onderduikrisico of in het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure. Bij een beroep op onderduikrisico geldt de aanvullende eis dat ten minste twee van de gronden uit artikel 5.6 lid 2 Vb aanwezig zijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder de maatregel rechtmatig heeft opgelegd en dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Het beroep werd ongegrond verklaard. Als gevolg daarvan werd ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen, nu de bewaring niet onrechtmatig is bevonden. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege. De uitspraak is voor zover de tekst beschikbaar is sterk feitelijk van aard en introduceert geen nieuwe rechtsnormen. Partijen die het niet eens zijn met de uitspraak kunnen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De volledigheid van de beschikbare uitspraaktekst is beperkt, waardoor de specifieke feitelijke onderbouwing van de gronden niet volledig kan worden beoordeeld.