JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:23382Laag12/100

Asielaanvraag Irakees terecht naar Duitsland doorverwezen

ECLI:NL:RBDHA:2026:23382, Rechtbank Den Haag, 05-08-2026, NL26.21117

Rechtbank Den HaagUitspraak: 5 augustus 2026Publicatie: 20 augustus 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL26.21117
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Mensenrechten
Overheid
Dublin Verordening
Interstatelijk Vertrouwensbeginsel
Asiel
Artikel 3 Evrm
Jawo Arrest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

artikel 3 EVRM, onvoldoende doorgevraagd door verweerder

Kern van de zaak

Een Iraakse asielzoeker (geboren 2003) diende een asielaanvraag in Nederland in. Nederland nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is op grond van de Dublin-verordening. Eiser bestreed dit bij de rechtbank met een beroep op artikel 3 EVRM en het Jawo-arrest.

Beslissing van de rechter

Het beroep is ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat ten aanzien van Duitsland het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat verweerder voldoende zorgvuldigheid heeft betracht; de stelling dat overdracht in strijd is met artikel 3 EVRM werd verworpen.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige, kennelijk ongegrond verklaarde Dublin-zaak op eerste aanleg zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie.

Belangrijkste punten

  • 1Nederland heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van de Dublin-verordening (Duitsland verantwoordelijk)
  • 2Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland is niet in geschil
  • 3Eiser beriep zich op het Jawo-arrest en stelde een autonome onderzoeksplicht onder artikel 3 EVRM
  • 4Rechtbank verwierp het betoog dat verweerder onvoldoende had doorgevraagd over dreiging bij terugkeer naar Irak
  • 5Uitspraak gedaan zonder zitting wegens kennelijke ongegrondheid; geen proceskostenveroordeling

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij overdracht naar Duitsland en stelt grenzen aan de reikwijdte van het Jawo-arrest als grondslag voor een autonome onderzoeksplicht in Dublin-zaken. De juridische impact is beperkt gezien het routinematige karakter van de beslissing.

Praktische impact

Voor eiser betekent de uitspraak dat hij wordt overgedragen aan Duitsland voor behandeling van zijn asielaanvraag. Hij heeft de mogelijkheid binnen zes weken verzet in te stellen bij de rechtbank.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenrechtelijke Dublin-zaken bevestigt deze uitspraak dat enkel stellen dat men gevaar loopt bij terugkeer naar het land van herkomst onvoldoende is om de overdracht aan een andere EU-lidstaat te blokkeren wanneer het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is.

Samenvatting

Een Iraakse asielzoeker, geboren in 2003, diende in Nederland een asielaanvraag in. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nam de aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublin-verordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser tekende beroep aan bij de Rechtbank Den Haag en voerde aan dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid had betracht. Concreet stelde hij dat op verweerder een autonome en actieve onderzoeksplicht rust op grond van het EVRM-toetsingskader, zoals bevestigd door het Hof van Justitie EU in het Jawo-arrest. Eiser stelde dat verweerder een passieve houding had aangenomen nadat hij had aangegeven bij terugkeer naar Irak te vrezen voor zijn leven, wat in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM. Hij verzocht om een zitting om zijn gronden mondeling toe te lichten. De rechtbank zag geen aanleiding voor een zitting en behandelde het beroep als kennelijk ongegrond. Doorslaggevend was dat niet in geschil is dat ten aanzien van Duitsland het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt: in beginsel mag worden aangenomen dat Duitsland de asielaanvraag zorgvuldig en conform internationale mensenrechtennormen behandelt. De rechtbank verwierp het betoog dat verweerder onvoldoende had doorgevraagd over de gestelde gevaren bij terugkeer naar Irak, nu de Dublin-procedure niet de inhoudelijke beoordeling van de asielmotieven betreft maar slechts de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. Eiser kan binnen zes weken verzet instellen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen