JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:23371Laag28/100

Syriër krijgt geen asiel ondanks psychische belasting terugkeer

ECLI:NL:RBDHA:2026:23371, Rechtbank Den Haag, 29-07-2026, NL26.11763 en NL26.14927

Rechtbank Den HaagUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 20 augustus 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL26.11763 en NL26.14927
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Mensenrechten
Overheid
Zorg
Niet Tijdig Beslissen
Asielrecht
Syrie
Artikel 3 Evrm
Volkscommissie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Asiel; beroep niet-tijdig beslissen en inhoudelijk beroep; verweerder heeft benadering door volkscommissie terecht niet als asielmotief opgenomen; geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag; verweerder heeft een lager niveau van willekeurig geweld aan kunnen nemen voor 15c-beoordeling; niet gebleken van risicoverhogende individuele omstandigheden; verweerder geeft aan aan verkeerd herkomstgebied te hebben getoetst, dus motiveringsgebrek art. 3:46 Awb; gebrek hersteld in verweer; niet gebleken dat humanitaire situatie strijd met art. 3 EVRM oplevert; beroep niet-tijdig niet-ontvankelijk; inhoudelijk beroep gegrond met in stand laten rechtsgevolgen.

Kern van de zaak

Een Syrische man (geboren 1977) vroeg asiel aan in Nederland. Hij vreesde terugkeer vanwege een benadering door een regimemilitie in 2014 en ernstige jeugdtrauma's. Na het vallen van het vorige Syrische regime herleidt de IND nog slechts zijn identiteit/nationaliteit als geloofwaardig asielmotief.

Beslissing van de rechter

De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op 16 maart 2026 en eiser daarmee geen procesbelang meer heeft. De doorslaggevende reden is dat de gestelde vrees voor de volkscommissie niet langer actueel is nu het regime is gevallen, en de psychische belasting van terugkeer geen concrete vrees voor vervolging of ernstige schade oplevert in de zin van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele, feitelijk gedreven eerste-aanleg asielbeslissing van de Rechtbank Den Haag zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst sluit volledig aan bij bestaande jurisprudentie over asielgronden en procesbelang.

Belangrijkste punten

  • 1Benadering door volkscommissie (regimemilitie) in 2014 niet als asielmotief aanvaard, nu eiser zelf aangeeft geen gevaar meer te verwachten na val van het regime
  • 2Psychische belasting als gevolg van jeugdtrauma's en pestverleden kwalificeert niet als concrete vrees voor vervolging of ernstige schade
  • 3Geen reëel risico op ernstige schade ex artikel 3 EVRM of artikel 15 onder c Kwalificatierichtlijn wegens relatief lager geweldsniveau en ontbreken individuele risicoVerhogende omstandigheden
  • 4Beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard wegens verlies van procesbelang na alsnog genomen besluit
  • 5Eiser krijgt een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat psychische belasting bij terugkeer op zichzelf geen grond vormt voor internationale bescherming en dat gewijzigde politieke omstandigheden in het land van herkomst direct doorwerken in de beoordeling van de actualiteit van de asielmotieven. Het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep wegens niet tijdig beslissen bij een alsnog genomen besluit sluit aan bij bestaande rechtspraak over procesbelang.

Praktische impact

Eiser dient Nederland te verlaten binnen vier weken. Zijn psychische klachten en traumatische achtergrond worden niet beschermd onder het asielrecht, hoewel dit door de rechtbank uitdrukkelijk als betreurenswaardig wordt gekwalificeerd.

Onderwerp-impact

Voor Syriërs die asiel aanvragen na de val van het Assad-regime signaleert deze uitspraak dat eerder opgegeven vrees gerelateerd aan regimegerelateerde milities kritisch wordt herbeoordeeld in het licht van de gewijzigde situatie in Syrië.

Samenvatting

Een Syrische man, geboren in 1977, vroeg asiel aan in Nederland en voerde daarvoor twee hoofdmotieven aan: een benadering in 2014 door de volkscommissie, een aan het toenmalige Assad-regime gelieerde militie, en ernstige jeugdtrauma's bestaande uit langdurig pesten en fysiek geweld door zijn vader en leraren. De IND (verweerder) erkende zijn identiteit, nationaliteit en herkomst als geloofwaardig, maar weigerde de asielaanvraag. De benadering door de volkscommissie werd niet als actueel asielmotief aanvaard, omdat eiser zelf had verklaard geen gevaar meer van deze groep te verwachten nu het vorige regime is gevallen en het centrum van de volkscommissie niet meer bestaat. De psychische belasting die een gedwongen terugkeer naar Syrië voor eiser zou meebrengen vanwege zijn traumatische herinneringen, werd door verweerder als betreurenswaardig gekwalificeerd, maar niet aangemerkt als een concrete, individuele vrees voor vervolging of ernstige schade in de zin van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM. Ook een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (willekeurig geweld in gewapend conflict) slaagde niet, omdat het geweldsniveau in Syrië als relatief lager wordt beoordeeld en individuele omstandigheden die eisers risico verhogen niet zijn gebleken. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. De rechtbank behandelde tevens een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Nu verweerder op 16 maart 2026 alsnog een besluit had genomen, stelde de rechtbank vast dat eiser geen procesbelang meer had bij dit onderdeel van zijn beroep en verklaarde dit deel niet-ontvankelijk, overeenkomstig vaste rechtspraak. De inhoudelijke asielweigering werd door de rechtbank niet vernietigd.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen