Asielaanvraag Syrische man wegens eerwraakdreiging afgewezen
ECLI:NL:RBDHA:2026:22106, Rechtbank Den Haag, 06-08-2026, NL26.15998
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Asiel; Syrië; vrees voor vervolging vanwege problemen van zus niet aannemelijk; relatief lager niveau van willekeurig geweld voldoende gemotiveerd; motiveringsgebrek bij 3 EVRM-beoordeling; humanitaire omstandigheden hoeven niet 'doelbewust' te worden veroorzaakt; beroep gegrond en rechtsgevolgen in stand gelaten.
Kern van de zaak
Een Syrische jongeman (geboren 2006) vraagt asiel aan in Nederland. Hij stelt dat hij bij terugkeer naar Syrië gevaar loopt vanwege eerwraak, omdat hij zijn zus heeft geholpen te vluchten nadat zij een miskraam had gehad en een huwelijk met haar neef weigerde.
Beslissing van de rechter
De rechtbank Den Haag wijst het beroep kennelijk ongegrond. De doorslaggevende reden is dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege de problemen van zijn zus, ondanks dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele eerste-aanleg asielzaak zonder principiële rechtsvraag; de uitkomst past binnen bestaande jurisprudentie over de individuele onderbouwingsplicht in asielzaken.
Belangrijkste punten
- 1Eisers identiteit, nationaliteit (Syrisch) en herkomst worden door verweerder geloofwaardig bevonden.
- 2Het asielmotief 'eerwraak wegens hulp aan vluchtende zus' is niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar als onvoldoende onderbouwd terzijde gesteld.
- 3Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk als schuldige zou worden aangewezen en daardoor een reëel risico loopt.
- 4Verweerder heeft naast de afwijzing van de asielaanvraag ook een terugkeerbesluit vastgesteld met een vertrektermijn van vier weken.
- 5De uitspraak is gebaseerd op een onvolledige tekst; de volledige motivering van de rechtbank is niet volledig weergegeven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een asielzoeker concreet en individueel aannemelijk moet maken dat hij persoonlijk risico loopt op vervolging of ernstige schade; een algemene stelling over eerwraakdreiging via een familielid volstaat niet.
Praktische impact
Eiser dient Nederland te verlaten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van het besluit; de drempel voor erkenning van indirect eerwraakgevaar blijft hoog.
Onderwerp-impact
Voor Syrische asielzoekers die indirect betrokken zijn bij eerconflicten binnen de familie, benadrukt deze zaak dat louter familiale verbondenheid met een 'probleempersoon' onvoldoende is voor asielrechtelijke bescherming.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Syrische jongeman, geboren in 2006, die in Nederland asiel heeft aangevraagd. Hij stelt dat hij bij terugkeer naar Syrië gevaar loopt voor eerwraak. De achtergrond is dat zijn zus een miskraam had gehad en weigerde te trouwen met haar neef. Eiser heeft zijn zus geholpen te vluchten en vreest dat de familie hem hiervoor verantwoordelijk zal houden en hem als schuldige zal aanwijzen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder achtte eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege de situatie van zijn zus. Het tweede asielmotief — de eerwraakdreiging — werd niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar als onvoldoende onderbouwd beschouwd. Tevens werd een terugkeerbesluit vastgesteld met een vertrektermijn van vier weken. De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser niet concreet heeft aangetoond dat hij persoonlijk als schuldige zou worden aangewezen en daadwerkelijk gevaar loopt. De verklaring dat hij zijn familie ervan heeft overtuigd zijn zus mee te laten gaan en daarom de schuld zou krijgen, acht de rechtbank onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aannemelijk te maken. De uitspraak sluit aan bij vaste jurisprudentie dat een asielzoeker individueel en concreet moet onderbouwen dat hij persoonlijk gevaar loopt. Indirecte betrokkenheid bij een eerconflict van een familielid is daartoe in beginsel onvoldoende. Opgemerkt dient te worden dat de beschikbare uitspraaktekst onvolledig is, waardoor de volledige motivering van de rechtbank niet volledig kan worden beoordeeld.