Dwangsom IND onjuist berekend, beroep deels gegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:21660, Rechtbank Den Haag, 23-07-2026, NL24.15846
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)VK; aanvraag verblijfsdocument EU/EER, Chavez-Vilchezverblijfsrecht; belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM; verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Kern van de zaak
Een Egyptische man (geb. 1974) wiens verblijfsvergunning in 2017 werd ingetrokken, stapte naar de rechter omdat de IND te laat besliste op zijn bezwaar en de bestuurlijke dwangsom onjuist berekende. De IND erkende uiteindelijk de rekenfout en nam een aanvullend dwangsombesluit.
Beslissing van de rechter
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder alsnog heeft beslist; het beroep tegen de onjuiste vaststelling van de hoogte van de dwangsom wordt gegrond verklaard, nu verweerder zelf met een aanvullend besluit de rekenfout heeft erkend. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een toepassing van bekende regels over de bestuurlijke dwangsom en proceskosten in een individuele vreemdelingenzaak; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Beroep tegen niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk nu verweerder alsnog op het bezwaar heeft beslist, maar eiser ontvangt wel proceskosten wegens de geldige ingebrekestelling.
- 2Verweerder erkende in een aanvullend dwangsombesluit (18 mei 2026) dat de dwangsom onjuist was berekend: vastgesteld op € 322,- voor veertien dagen ex art. 4:17 lid 2 Awb.
- 3Van de verbeurde dwangsom was al € 230,- over tien dagen uitbetaald; voor de resterende vier dagen (€ 92,-) werd een declaratieformulier verzonden.
- 4De eerdere verblijfsvergunning (gezinslid bij echtgenote) was met terugwerkende kracht ingetrokken per 8 december 2016; het beroep daartegen werd in 2018 ongegrond verklaard.
- 5Het beroep tegen het bestreden besluit inzake de dwangsomhoogte is gegrond wegens de erkende onjuiste vaststelling; over de inhoudelijke afwijzing van de verblijfsaanvraag is de uitspraak onvolledig weergegeven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de standaardregels van art. 4:17 Awb toe over de berekening van de bestuurlijke dwangsom bij niet-tijdig beslissen en bevestigt dat een erkende rekenfout door het bestuursorgaan zelf een gegrondverklaring rechtvaardigt. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gevestigd.
Praktische impact
Eiser ontvangt alsnog de volledige dwangsom van € 322,- en vergoedt krijgt zijn proceskosten vergoed; over de uitkomst van zijn verblijfsaanvraag geeft de beschikbare tekst onvoldoende uitsluitsel.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen die procederen over trage besluitvorming door de IND bevestigt deze zaak dat een ingebrekestelling loont en dat rekenfouten in het dwangsombesluit tot gegrondverklaring leiden.
Samenvatting
In deze zaak procedeert een Egyptische man (geboren 1974) tegen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Zijn verblijfsvergunning als gezinslid was in 2017 met terugwerkende kracht ingetrokken; een eerder beroep daartegen was in 2018 ongegrond verklaard. In een nieuwe procedure diende hij een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, waarna hij de IND in gebreke stelde wegens het uitblijven van een tijdige beslissing op bezwaar. Hij stelde vervolgens beroep in, zowel wegens het niet tijdig beslissen als wegens de onjuiste berekening van de bestuurlijke dwangsom. De rechtbank Den Haag verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, omdat de IND hangende de procedure alsnog op het bezwaar heeft beslist. Wel wordt vastgesteld dat de ingebrekestelling geldig was, zodat eiser recht heeft op vergoeding van de proceskosten voor dit onderdeel (0,5 punt). Ten aanzien van de dwangsomhoogte erkende de IND zelf de fout door op 18 mei 2026 een aanvullend dwangsombesluit te nemen. Daarin werd de totale verbeurde dwangsom vastgesteld op € 322,- voor veertien dagen overeenkomstig art. 4:17 lid 2 Awb. Van dit bedrag was al € 230,- over tien dagen uitbetaald; voor de resterende vier dagen (€ 92,-) werd een declaratieformulier verzonden. Omdat de IND zelf de rekenfout erkende, had eiser een gegronde reden om beroep in te stellen, en verklaart de rechtbank dit onderdeel gegrond. Over de inhoudelijke afwijzing van de verblijfsaanvraag — waarbij ook de belangen van (destijds) minderjarige kinderen een rol spelen — is de beschikbare tekst onvolledig, zodat over dat deel van de beslissing geen volledige analyse kan worden gegeven. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking en past bestaande bestuursrechtelijke regels toe.