JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:21596Laag5/100

ECLI:NL:RBDHA:2026:21596, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL25.18148 en NL25.18149

Rechtbank Den HaagUitspraak: 31 juli 2026Publicatie: 3 augustus 2026
Zaaknummer:NL25.18148 en NL25.18149

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Eiser komt uit Colombia en is sinds 2021 in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER als familielid van een Unieburger. Eiser heeft in 2022 gemeld dat de relatie met zijn Italiaanse vriendin is verbroken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser na verbreking van de relatie geen aanspraak kan maken op behoud van zijn verblijfsrecht op grond van artikel 8.15, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit, omdat hij volgens verweerder niet voldoet aan de voorwaarden van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ als ‘werknemer of zelfstandige’. Noch beschikt eiser volgens verweerder over toereikende bestaansmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser in bezwaar. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan het vereiste van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ als zelfstandige en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet over ‘toereikende bestaansmiddelen’ beschikt. Beroep gegrond. Vovo afgewezen.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21621Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21621, Rechtbank Den Haag, 03-08-2026, NL26.40731

Rechtbank Den Haag3 aug 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:21399Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21399, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL26.6990

Rechtbank Den Haag31 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:21408Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21408, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL26.14192

Rechtbank Den Haag31 jul 2026
5/100Bekijk