JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:20498Laag12/100

Beroep niet-ontvankelijk wegens te laat betaald griffierecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:20498, Rechtbank Den Haag, 20-07-2026, NL26.25605

Rechtbank Den HaagUitspraak: 20 juli 2026Publicatie: 23 juli 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL26.25605
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Niet Ontvankelijk
Griffierecht
Niet Tijdig Betalen
Artikel 8 41 Awb
Beroep Wegens Niet Tijdig Beslissen

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Tweede beroep niet tijdig, nareis, 8 EVRM, afwijzing verzoek vrijstelling griffierecht, aangetekende griffierechtnota bezorgd, griffierecht te laat betaald, beroep niet-ontvankelijk

Kern van de zaak

Een eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. De eiser kon of wilde het griffierecht van €200 niet betalen en verzocht om vrijstelling. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen wegens het uitblijven van benodigde financiële gegevens.

Beslissing van de rechter

Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb. De doorslaggevende reden is dat de eiser het griffierecht niet tijdig heeft betaald en geen geldige reden heeft gegeven voor het uitblijven van betaling, ondanks meerdere schriftelijke aanmaningen van de rechtbank.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige procedurele uitspraak over niet-tijdige betaling van griffierecht zonder nieuwe rechtsvragen. De uitkomst is voorspelbaar en heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht van €200 was verschuldigd op grond van artikel 8:41, eerste lid, Awb
  • 2Verzoek tot vrijstelling van griffierechtbetaling werd afgewezen bij gebrek aan onderbouwing (geen reactie op verzoek om inkomens- en vermogensgegevens)
  • 3Aangetekende nota van 2 juni 2026 aantoonbaar bezorgd op 4 juni 2026, maar betaling bleef uit
  • 4Geen geldige reden aangedragen voor niet-tijdige betaling
  • 5Het te laat betaalde griffierecht wordt aan eiser terugbetaald

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat niet-tijdige betaling van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij de eiser omstandigheden aanvoert waaraan hij part noch deel heeft. Een vrijstellingsverzoek vereist concrete onderbouwing met financiële gegevens.

Praktische impact

De eiser krijgt zijn beroep inhoudelijk niet behandeld en zijn grief over het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag wordt niet beoordeeld. Hij kan binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Onderwerp-impact

Voor vreemdelingen of andere aanvragers in bestuursrechtelijke procedures benadrukt deze zaak het belang van tijdige betaling of deugdelijke onderbouwing van een betalingsonmacht; een niet-onderbouwd beroep op financiële onvermogendheid volstaat niet.

Samenvatting

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 juli 2026 uitspraak gedaan in een beroepszaak waarbij een eiser beroep had ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing van de minister op zijn aanvraag (zogenaamd beroep wegens niet-tijdig beslissen). De kern van de uitspraak betreft echter niet de inhoud van dat beroep, maar een zuiver procedurele drempel: de betaling van het griffierecht. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een ieder die beroep instelt verplicht griffierecht te betalen. In dit geval bedroeg dat €200. De eiser voerde aan dit bedrag niet te kunnen betalen en verzocht om vrijstelling. De rechtbank heeft hem op 6 mei 2026 verzocht om binnen twee weken aanvullende financiële gegevens te verstrekken ter onderbouwing van dit verzoek. De eiser reageerde hier niet op, waarna de rechtbank het vrijstellingsverzoek op 26 mei 2026 heeft afgewezen. Op 2 juni 2026 werd een aangetekende betalingsnota verstuurd; PostNL bevestigde bezorging op 4 juni 2026 om 13.45 uur, waarbij voor ontvangst is getekend. Desondanks werd het griffierecht niet tijdig betaald, en werd geen geldige reden gegeven voor dit verzuim. De rechtbank oordeelde dat zonder tijdige betaling én zonder een aanvaardbare verklaring daarvoor, het beroep op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De betaling die de eiser uiteindelijk wél deed, maar te laat, wordt teruggestort. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De eiser kan binnen zes weken verzet instellen. De uitspraak illustreert het strikte regime rondom griffierecht: een niet-onderbouwd beroep op betalingsonvermogen biedt geen bescherming tegen niet-ontvankelijkheid.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 23 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268, Raad van State, 22-07-2026, 202407951/1/R2

Raad van State22 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4270Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4270, Raad van State, 22-07-2026, 202402337/1/R3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4282Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4282, Raad van State, 22-07-2026, 202500140/1/R4

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4266Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266, Raad van State, 22-07-2026, 202305427/1/R2

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied