ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, Rechtbank Den Haag, 17-07-2026, NL26.37585
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Onrechtmatige grensdetentie artikel 6, derde lid, van de Vw. Artikel 42, eerste lid sub j) jo. artikel 45, eerste lid van de Procedureverordening en artikel 10, tweede lid van de Opvangrichtlijn. De rechtbank constateert dat de onrechtmatigheid verweven zit in de wijze waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vorm geeft. Dit vertaalt zich op vier vlakken. Allereerst trekt de minister een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. Ten tweede legt de minister een niet door het unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang enerzijds en het opleggen van grensdetentie anderzijds. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen. Eiser geeft aan tot de LHBTIQ+-gemeenschap te behoren en voor suïcide te vrezen bij opleggen grensdetentie.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.