Asielaanvraag Eritrese vrouw opnieuw niet-ontvankelijk wegens Spaanse bescherming
ECLI:NL:RBDHA:2026:18733, Rechtbank Den Haag, 06-07-2026, NL25.47471
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw; belang van het kind; discretionaire bevoegdheid; artikel 8 EVRM; ongegrond.
Kern van de zaak
Een Eritrese vrouw met een verblijfsvergunning in Spanje diende in Nederland een asielaanvraag in. Verweerder (IND) verklaarde deze niet-ontvankelijk omdat zij al internationale bescherming geniet in Spanje. Eiseres bestreed dit besluit bij de rechtbank.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard. De doorslaggevende reden is dat eiseres een geldige internationale beschermingsstatus heeft in Spanje, dat de status niet is beëindigd en dat ten aanzien van Spanje het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele toepassing van bestaand beleid (interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet-ontvankelijkverklaring statushouders) zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Eiseres heeft in 2018 een verblijfsvergunning (internationale bescherming) verkregen in Spanje; deze is niet beëindigd.
- 2De asielaanvraag van haar minderjarige dochter leidde eerder tot vernietiging van het gecombineerde besluit, omdat de dochter geen zelfstandige aanspraak op bescherming in Spanje had; de dochter ontving in 2025 alsnog een asielvergunning in Nederland.
- 3De niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag van eiseres zelf bleef in stand: zij heeft wél zelfstandige bescherming in Spanje.
- 4Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt de aanname dat eiseres als statushouder in Spanje adequate bescherming geniet.
- 5De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje in het kader van niet-ontvankelijkverklaring van asielaanvragen van statushouders uit andere EU-lidstaten. De splitsing tussen de situatie van een statushouder en die van een gezinslid zonder zelfstandige status wordt hiermee opnieuw bevestigd.
Praktische impact
Eiseres kan in Nederland geen asielstatus verkrijgen en zal, ondanks de verblijfsstatus van haar dochter in Nederland, worden geacht terug te keren naar Spanje. Gezinshereniging met haar dochter in Nederland wordt hierdoor bemoeilijkt.
Onderwerp-impact
De uitspraak onderstreept dat statushouders in een andere EU-lidstaat die naar Nederland doorreizen en hier asiel aanvragen, worden terugverwezen naar het land van eerste bescherming, ook als hun minderjarige kind in Nederland wél bescherming heeft gekregen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of de IND de asielaanvraag van een Eritrese vrouw terecht niet-ontvankelijk had verklaard, omdat zij in 2018 in Spanje internationale bescherming had verkregen. Eiseres reisde in 2023 vanuit Spanje naar Nederland, kort nadat zij daar was herenigd met haar minderjarige dochter. Beiden dienden een asielaanvraag in. In een eerder besluit uit april 2023 had de IND beide aanvragen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats 's-Hertogenbosch) vernietigde dat besluit in juli 2023, maar uitsluitend voor zover het de dochter betrof: zij had immers geen zelfstandige aanspraak op internationale bescherming in Spanje. De dochter kreeg vervolgens in september 2025 alsnog een asielvergunning in Nederland. De aanvraag van eiseres zelf werd door de IND opnieuw niet-ontvankelijk verklaard, omdat haar eigen status in Spanje onveranderd van kracht was en er geen aanleiding bestond om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Eiseres stelde beroep in tegen dit nieuwe besluit. De rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres een geldige internationale beschermingsstatus in Spanje heeft, dat niet is gebleken dat deze is beëindigd, en dat Spanje als EU-lidstaat wordt geacht adequate bescherming te bieden. Het feit dat haar dochter inmiddels een verblijfsvergunning in Nederland heeft, verandert niets aan de rechtspositie van eiseres zelf. Een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend. Eiseres kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De zaak illustreert de spanning tussen de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en feitelijke gezinssituaties waarbij gezinsleden een uiteenlopende verblijfsstatus hebben in verschillende EU-lidstaten.