JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:18659Middel38/100

Beroep Palestijnse staatlooze gegrond: UNRWA-situatie onvoldoende onderzocht

ECLI:NL:RBDHA:2026:18659, Rechtbank Den Haag, 10-06-2026, NL26.14698

Rechtbank Den HaagUitspraak: 10 juni 2026Publicatie: 7 juli 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL26.14698
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Zorg
Unrwa
Asiel
Artikel 1d Vluchtelingenverdrag
Palestijnse Staatlozen
Syrie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Palestijnse vluchteling/artikel 1D/UNRWA. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij van Palestijnse afkomst is en dat hij staatloos is. Eiser is in Damascus, Syrië geboren en heeft hier tot zijn vertrek in augustus 2023 gewoond, gestudeerd en gewerkt. Hij is daar erkend als Palestijnse vluchteling. De minister van Asiel en Migratie heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat hij van de vluchtelingenstatus is uitgesloten op grond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hij kreeg als Palestijnse vluchteling bescherming of bijstand van UNRWA in Syrië. Op grond van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2025:3671) moet de minister een actuele beoordeling maken van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied moet terugkeren. Dat gaat verder dan de vraag of UNRWA eiser kan beschermen tegen behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). UNWRA moet levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Humanitaire omstandigheden, ook omstandigheden die los staan van eisers individuele situatie, kunnen van belang zijn voor deze beoordeling. De minister moet zowel de eigen verklaringen van betrokkene als de actuele algemene informatie over de UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië bij het besluit betrekken. In het besluit en ter zitting heeft de minister geen inzicht gegeven in de maatstaf die hij hanteert bij beantwoording van de vraag in hoeverre de UNRWA in staat is aan zijn mandaat te voldoen. Uit de door eiser aangehaalde beslisnota en het rapport van het European Union Asylum Agency (EUAA) volgt dat ook in de nieuwe situatie, net als voorheen onder het regime van Assad, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat de bescherming en bijstand moet worden geacht te zijn opgehouden. De minister is niet op deze rapporten ingegaan. Waarom de minister in dit geval niet het uitgangspunt in de beslisnota en van het EUAA hanteert blijft daarom onduidelijk. De minister heeft de humanitaire omstandigheden niet betrokken bij de vraag of UNRWA aan zijn mandaat kan voldoen. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Kern van de zaak

Een Palestijnse staatloze (geboren 1999, uit Damascus, Syrië) vroeg asiel in Nederland. Verweerder (IND) wees de aanvraag af op grond van artikel 1D Vluchtelingenverdrag, omdat eiser UNRWA-bescherming had genoten. Eiser stelt dat UNRWA-bescherming is opgehouden en hij vreest bij terugkeer voor het naoorlogs Syrisch klimaat en beschuldigingen van Assad-sympathie.

Beslissing van de rechter

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de IND van 16 maart 2026. Doorslaggevend is dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de UNRWA-bescherming daadwerkelijk is opgehouden en eiser daardoor alsnog onder de vluchtelingenstatus valt op grond van artikel 1D Vluchtelingenverdrag.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is relevant voor de specifieke groep Palestijnse staatlozen uit Syrië en zet een streep door een onvoldoende gemotiveerd IND-besluit, maar betreft een feitenrechtelijke toetsing op rechtbankniveau zonder richtinggevende rechtsvraagontwikkeling.

Belangrijkste punten

  • 1Eiser is staatloos Palestijn, erkend als vluchteling in Syrië en viel onder UNRWA-bescherming tot 2015.
  • 2Verweerder paste artikel 1D Vluchtelingenverdrag toe (uitsluiting vluchtelingsstatus) omdat eiser UNRWA-bijstand had ontvangen.
  • 3De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de UNRWA-bescherming niet is opgehouden na eisers vertrek in 2023.
  • 4Het feit dat eisers familie nog gebruik maakt van UNRWA-huisvesting is door verweerder als (onvoldoende) argument gebruikt, maar de rechtbank acht dit niet dragend.
  • 5Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak en betaalt €1.868,- proceskosten.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat de IND bij toepassing van artikel 1D Vluchtelingenverdrag deugdelijk moet motiveren of UNRWA-bescherming voor de individuele vreemdeling feitelijk is opgehouden, met name gelet op de gewijzigde situatie in Syrië na 2023. Dit legt een zwaardere motiveringsplicht op verweerder bij Palestijnse staatlozen uit Syrië.

Praktische impact

Eiser krijgt een nieuwe kans op erkenning als vluchteling; de IND moet zijn zaak opnieuw beoordelen met oog voor de actuele UNRWA-operationaliteit in Syrië. Voor vergelijkbare Palestijnse staatlozen uit Syrië kan dit betekenen dat hun zaken ook opnieuw moeten worden bezien.

Onderwerp-impact

In de bredere context van asielzoekers uit Syrië en Palestijnse staatlozen benadrukt deze uitspraak dat de val van het Assad-regime en de verminderde UNRWA-aanwezigheid concrete gevolgen moeten hebben voor de individuele asielbeoordeling.

Samenvatting

Een Palestijnse staatloze man, geboren in 1999 en woonachtig in Damascus tot augustus 2023, vroeg in Nederland asiel aan. Hij voerde aan bij terugkeer naar Syrië te vrezen voor beschuldigingen van sympathie voor het vroegere Assad-regime (vanwege zijn werk als advocaat-stagiair bij overheidsinstanties) en voor de algehele veiligheidssituatie. Ook stelde hij dat UNRWA niet langer actief is en hem dus geen bescherming meer kan bieden. De IND wees de aanvraag af op basis van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Dit artikel sluit personen van de vluchtelingsstatus uit indien zij bescherming of bijstand genieten van een VN-orgaan anders dan UNHCR, zoals UNRWA. Verweerder erkende weliswaar de identiteit en herkomst van eiser als geloofwaardig, maar stelde dat hij tot zijn vertrek gebruik heeft kunnen maken van UNRWA-huisvesting en dat zijn familie dit nog steeds doet. Daarom, aldus de IND, kan eiser bij terugkeer opnieuw aanspraak maken op die bescherming. De Rechtbank Den Haag verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 16 maart 2026. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de UNRWA-bescherming voor eiser niet is opgehouden in de zin van artikel 1D Vluchtelingenverdrag. Het enkele feit dat eisers familie nog gebruik maakt van UNRWA-huisvesting is niet toereikend om te concluderen dat eiser bij terugkeer wederom aanspraak kan maken op effectieve bescherming van UNRWA, mede gelet op de ingrijpend gewijzigde situatie in Syrië na de val van het Assad-regime en de gereduceerde UNRWA-operaties. Verweerder dient binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en wordt veroordeeld tot betaling van €1.868,- aan proceskosten.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 11 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026OverheidArbeidsrelaties
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:18733Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:18733, Rechtbank Den Haag, 06-07-2026, NL25.47471

Rechtbank Den Haag6 jul 2026Overheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBNHO:2026:8429Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RBNHO:2026:8429, Rechtbank Noord-Holland, 03-07-2026, HAA 24/7901

Rechtbank Noord-Holland3 jul 2026OverheidHandhaving
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen