Beroep tegen wet excessief lenen eigen vennootschap ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:18511, Rechtbank Den Haag, 02-07-2026, 25_7007
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)inkomstenbelasting - Naar het oordeel van de rechtbank is belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau niet strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel met de artikelen 6, 7 en 14 van het EVRM. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een aanmerkelijkbelanghouder had in 2023 een rekening-courantschuld van ruim €801.919 aan zijn eigen vennootschap. De Belastingdienst legde een aanslag op waarbij het fictief regulier voordeel (€90.479) als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang werd aangemerkt op grond van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap. Eiser bestreed dit bij de rechtbank met een beroep op strijdigheid met het EVRM.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De belastingheffing over het fictief regulier voordeel op grond van de Wet excessief lenen is niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, noch met de artikelen 6, 7 en 14 EVRM.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een toepassing van relatief nieuwe wetgeving die veel DGA's raakt, maar vormt geen richtinggevend precedent nu het een rechtbankvonnis betreft en vergelijkbare oordelen eerder zijn gewezen; hoger beroep is mogelijk.
Belangrijkste punten
- 1De Wet excessief lenen (per 1 januari 2023) introduceert een fictief regulier voordeel voor aanmerkelijkbelanghouders met schulden boven de drempel aan hun eigen vennootschap.
- 2Eiser had een schuld van €801.919, ruim boven de wettelijke drempel van €700.000, resulterend in een fictief voordeel van €101.919 (waarvan €90.479 aan eiser toegerekend).
- 3Het beroep op schending van het eigendomsrecht (artikel 1 EP EVRM) werd verworpen; de rechtbank acht de regeling niet strijdig met het recht op eigendom op stelselniveau.
- 4Ook de beroepen op de artikelen 6, 7 en 14 EVRM (fair trial, legaliteit en non-discriminatie) werden niet gehonoreerd.
- 5De rekening-courantschuld groeide over meerdere jaren gestaag, wat de toepasbaarheid van de wetgeving onderstreept.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap EVRM-proof is en dat EVRM-verweren op stelselniveau niet slagen bij deze heffingssystematiek. Dit sluit aan bij een reeks vergelijkbare uitspraken over deze relatief nieuwe wetgeving.
Praktische impact
Aanmerkelijkbelanghouders met bovenmatige schulden aan hun eigen vennootschap kunnen niet met succes een beroep doen op EVRM-schending om de heffing te ontlopen; zij dienen hun schulden terug te brengen onder de drempel of de belastingheffing te accepteren.
Onderwerp-impact
Voor directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) met omvangrijke rekening-courantschulden bevestigt deze uitspraak dat de fiscale wetgever met de Wet excessief lenen een houdbare regeling heeft getroffen die rechterlijke toetsing doorstaat.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of de heffing op grond van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in strijd is met het EVRM. Eiser, een aanmerkelijkbelanghouder, had in 2023 een rekening-courantschuld van €801.919 aan zijn eigen B.V. – een schuld die over meerdere jaren geleidelijk was opgebouwd. Op grond van artikel 4.14a Wet IB 2001, ingevoerd per 1 januari 2023, wordt het meerdere boven de drempel van €700.000 aangemerkt als fictief regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. De Belastingdienst berekende een fictief voordeel van €101.919, waarvan €90.479 aan eiser en €11.440 aan zijn partner werd toegerekend, en legde dienovereenkomstig een aanslag op. Eiser betwistte deze aanslag en voerde aan dat de heffingssystematiek op stelselniveau strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (recht op eigendom), alsmede met de artikelen 6 (recht op een eerlijk proces), 7 (legaliteitsbeginsel) en 14 (discriminatieverbod) van het EVRM. De Rechtbank Den Haag verwierp alle EVRM-verweren en verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de wetgever met de Wet excessief lenen een legitiem doel nastreeft – het tegengaan van belastinguitstel via excessief lenen bij de eigen vennootschap – en dat de middelen daartoe proportioneel zijn. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last, noch van discriminatie of schending van procesrechtelijke of legaliteitswaarborgen. De uitspraak bevestigt daarmee de houdbaarheid van deze heffingssystematiek en biedt weinig ruimte voor DGA's om via EVRM-verweren onder de fiscale gevolgen van bovenmatige schulden aan hun eigen vennootschap uit te komen. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Den Haag.