JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:18508Laag32/100

Beroep tegen fictief regulier voordeel excessief lenen ongegrond

ECLI:NL:RBDHA:2026:18508, Rechtbank Den Haag, 02-07-2026, 25_7004

Rechtbank Den HaagUitspraak: 2 juli 2026Publicatie: 6 juli 2026
Procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer:25_7004
Belastingrecht
Mensenrechten
Financiele Dienstverlening
Vergunningen
Dga
Excessief Lenen
Fictief Regulier Voordeel
Evrm Toetsing
Box 2

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

inkomstenbelasting - Naar het oordeel van de rechtbank is belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau niet strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel met de artikelen 6, 7 en 14 van het EVRM. Beroep ongegrond.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige (eiseres) en haar partner hadden in 2023 een rekening-courantschuld van ruim €801.919 aan de eigen vennootschap. De Belastingdienst legde een aanslag op waarbij €11.440 fictief regulier voordeel (box 2) aan eiseres werd toegerekend op grond van de Wet excessief lenen. Eiseres bestreed dit door te stellen dat de heffing in strijd is met het EVRM (artikel 1 EP, artikelen 6, 7 en 14).

Beslissing van de rechter

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond: de Belastingdienst heeft terecht belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. Het beroep op strijdigheid met het EVRM (artikel 1 EP en artikelen 6, 7 en 14) wordt verworpen.

32van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een rechtbankuitspraak in een individuele belastingzaak die een al bekende discussie (EVRM-toetsing Wet excessief lenen) bevestigt zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de vraag ligt nog open bij hogere rechters.

Belangrijkste punten

  • 1De Wet excessief lenen (per 1 januari 2023) introduceert een fictief regulier voordeel in box 2 wanneer schulden aan de eigen vennootschap de drempelwaarde overschrijden.
  • 2De rekening-courantschuld van de partner steeg van €744.084 (2019) tot €801.919 (2023), waardoor het bovenmatige deel als fictief regulier voordeel wordt belast.
  • 3Eiseres betoogde dat de heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM (eigendomsrecht) en artikelen 6, 7 en 14 EVRM.
  • 4De rechtbank verwerpt alle EVRM-grieven en acht de wettelijke regeling houdbaar.
  • 5Het aandeel van eiseres in het fictief regulier voordeel bedroeg €11.440; het overige deel (€90.479) werd toegerekend aan haar partner.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (box 2-heffing op bovenmatige aandeelhoudersleningen) niet in strijd is met het EVRM, maar betreft een rechtbankuitspraak zonder precedentwerking voor hogere rechters. Verdere toetsing in hoger beroep bij Gerechtshof Den Haag blijft mogelijk.

Praktische impact

Aandeelhouders met een rekening-courantschuld aan hun eigen vennootschap boven de drempelwaarde worden geconfronteerd met een fictieve box 2-heffing waaraan zij zich niet kunnen onttrekken via een EVRM-beroep, tenzij hogere rechters anders oordelen.

Onderwerp-impact

Voor directeur-grootaandeelhouders (DGA's) en hun fiscale adviseurs onderstreept deze uitspraak dat de Wet excessief lenen onverkort van toepassing is en dat EVRM-verweren op stelselniveau vooralsnog niet slagen bij de feitenrechter.

Samenvatting

In deze zaak had de partner van eiseres in 2023 een rekening-courantschuld van €801.919 aan zijn eigen vennootschap. Op grond van de per 1 januari 2023 ingevoerde Wet excessief lenen bij eigen vennootschap wordt het deel van dergelijke schulden dat de wettelijke drempelwaarde overschrijdt aangemerkt als fictief regulier voordeel in box 2. De Belastingdienst rekte daarom €11.440 toe aan eiseres en €90.479 aan haar partner als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Eiseres bestreed de aanslag en stelde dat belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming van eigendomsrecht) en met de artikelen 6 (recht op eerlijk proces), 7 (legaliteitsbeginsel in strafzaken) en 14 (discriminatieverbod) van het EVRM. De kernvraag was dus of de wetgever met de Wet excessief lenen de grenzen van het EVRM heeft overschreden. De Rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. Zij oordeelt dat de Belastingdienst terecht belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen en verwerpt alle EVRM-grieven van eiseres. De rechtbank acht de wettelijke regeling, mede gezien de wetsgeschiedenis en de memorie van toelichting bij de Wet excessief lenen, niet in strijd met de ingeroepen EVRM-bepalingen. Deze uitspraak sluit aan bij eerder rechtbankjurisprudentie waarin EVRM-verweren tegen de Wet excessief lenen werden verworpen. Voor de praktijk betekent dit dat DGA's met substantiële rekening-courantschulden aan hun eigen vennootschap vooralsnog geen soelaas vinden in een EVRM-beroep. De definitieve rechtsvraag over de EVRM-conformiteit van deze wet zal vermoedelijk pas door het gerechtshof of de Hoge Raad worden beslecht. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Den Haag.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 11 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00280

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1465Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01140

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1469Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied