Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op gezinsherenigingsaanvraag
ECLI:NL:RBDHA:2026:12514, Rechtbank Den Haag, 30-04-2026, NL26.9986
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herhaald beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel – 8 EVRM. Dictum: Gegrond
Kern van de zaak
Een vreemdeling diende een aanvraag in bij de minister voor (vermoedelijk) gezinshereniging. De minister nam niet tijdig een besluit, ook niet na een eerder rechterlijk bevel met termijn. Eiser stelde beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard: de minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn beslist op de aanvraag. De minister krijgt zestien weken na aankomst van de gezinsleden bij de Nederlandse ambassade in Egypte om alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele niet-tijdig-beslissen-zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak past binnen gevestigde jurisprudentie over dwangsommen en ingebrekestelling, met slechts beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Ingebrekestelling was niet vereist omdat de bestuursrechter in een eerdere uitspraak (21 juli 2025) al een uitdrukkelijke en verstreken termijn had gesteld.
- 2De beslistermijn voor aanvragen vóór 28 maart 2025 bedraagt 90 dagen, verlengbaar met drie maanden; de minister had van deze verlenging gebruikgemaakt.
- 3De rechtbank wijkt af van de standaard termijn van twee weken voor het alsnog nemen van een besluit, gelet op de bijzondere omstandigheid dat gezinsleden vanuit Ethiopië reizen.
- 4De minister verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken, ingaande na aankomst van gezinsleden bij de ambassade in Egypte; de rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd.
- 5Bij overschrijding van de nieuwe termijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag tot maximaal €15.000; griffierecht van €200 en proceskosten worden vergoed.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een eerdere rechterlijke termijnstelling een ingebrekestelling overbodig maakt en dat de rechter bij bijzondere omstandigheden een van de standaardtermijn afwijkende beslistermijn kan opleggen.
Praktische impact
De minister is nu gebonden aan een concrete deadline gekoppeld aan de aankomst van de gezinsleden bij de ambassade, met financiële consequenties bij verdere vertraging; eiser ontvangt griffierecht en proceskosten terug.
Onderwerp-impact
In gezinsherenigingszaken met logistieke complicaties (verre reizen, ambassadebezoek) kunnen rechters maatwerk bieden door de beslistermijn te koppelen aan een feitelijk moment in plaats van aan de uitspraakdatum.
Samenvatting
Deze zaak betreft een beroep bij de Rechtbank Den Haag wegens het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op een aanvraag van een vreemdeling, vermoedelijk in het kader van gezinshereniging. De minister had de wettelijke beslistermijn van 90 dagen — verlengbaar met drie maanden — laten verlopen zonder een besluit te nemen, ook nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 21 juli 2025 al een uitdrukkelijke termijn had opgelegd. De centrale juridische vraag was of het beroep ontvankelijk was zonder voorafgaande ingebrekestelling, en welke nieuwe beslistermijn passend was gelet op de bijzondere omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat een ingebrekestelling niet vereist was, omdat de eerdere rechterlijke termijn inmiddels was verstreken zonder dat de minister had beslist. Het beroep was daarmee ontvankelijk en kennelijk gegrond. Ten aanzien van de nieuwe beslistermijn week de rechtbank af van de gebruikelijke twee weken. De minister had verzocht om zestien weken, ingaande nadat de gezinsleden van eiser — die vanuit Ethiopië reisden en naar verwachting acht weken onderweg waren — zich bij de Nederlandse ambassade in Egypte zouden melden. De rechtbank achtte dit verzoek redelijk en koppelde de termijn aan dat feitelijke moment. Om naleving te waarborgen legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €15.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €200 en de proceskosten. De uitspraak illustreert hoe de bestuursrechter bij grensoverschrijdende gezinsherenigingszaken maatwerk kan leveren door de beslistermijn te verbinden aan een praktisch anker, zonder de minister van zijn verplichtingen te ontslaan.