ECLI:NL:OGEAC:2026:43, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 27-03-2026, CUR202403572
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In deze zaak is de vraag of de naheffingsaanslag winstbelasting 2018 terecht is opgelegd en of de afsplitsing geruisloos kon plaatsvinden op grond van artikel 14C LvWB. Belanghebbende stelt dat sprake is van zakelijke overwegingen en geen belastingontwijking, terwijl de inspecteur van mening is dat de afsplitsing juist gericht is op het ontgaan of uitstellen van belasting. Het Gerecht oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, maar verwerpt het standpunt dat geen Curaçaose belasting wordt ontgaan. Vervolgens concludeert het Gerecht dat de afsplitsing niet is ingegeven door zakelijke motieven zoals herstructurering, maar vooral gericht was op de verkoop van de onderneming. Daardoor geldt het vermoeden dat sprake is van belastingontwijking. Belanghebbende slaagt er niet in dit vermoeden te weerleggen, omdat haar argumenten onvoldoende zijn onderbouwd. Daarom is de faciliteit van geruisloze afsplitsing niet van toepassing. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.