Hoge Raad: redelijke termijn niet generiek verlengbaar wegens drukte gemachtigde
ECLI:NL:HR:2026:735, Hoge Raad, 01-05-2026, 25/02550
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Immateriële schadevergoeding; Verlenging van de redelijke termijn; Bijzondere omstandigheden; Beschikbaarheid gemachtigde; ECLI:HR:2016:252
Kern van de zaak
Een belastingplichtige verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verlengde de standaardtermijn van twee naar drie jaar vanwege de hoge werklast en beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde. Het hof volgde die beslissing niet, waarna de zaak bij de Hoge Raad belandde.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat verlenging van de redelijke termijn moet worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in de individuele procedure, niet op generieke gronden. De beslissing van de rechtbank om de termijn in alle zaken van een drukbezette gemachtigde te verlengen werd niet gevolgd omdat een nadere, zaakspecifieke motivering ontbrak.
Impactscore
RichtinggevendDe Hoge Raad stelt een duidelijke norm die landelijk doorwerkt in alle belastingzaken met drukbezette gemachtigden en begrenst rechterlijke vrijheid om redelijke termijnen generiek te verlengen. Dit raakt structurele praktijk bij rechtbanken en heeft directe gevolgen voor de omvang van schadevergoedingsclaims.
Belangrijkste punten
- 1Verlenging van de redelijke termijn vereist een individuele, zaakspecifieke motivering op basis van feiten en omstandigheden in die procedure.
- 2Het procesgedrag van een gemachtigde kan een bijzondere omstandigheid zijn voor termijnverlenging, maar vergt steeds een nadere afweging per zaak.
- 3Een generieke verlenging van twee naar drie jaar voor alle zaken van een drukbezette gemachtigde zonder personeel is onvoldoende gemotiveerd.
- 4De handelwijze van een gemachtigde kan in beginsel worden toegerekend aan de belanghebbende, maar dit rechtvaardigt op zichzelf geen automatische termijnverlenging.
- 5De uitspraak is afkomstig van de Hoge Raad en stelt daarmee een richtinggevende norm voor de beoordeling van redelijke-termijnverzoeken in belastingzaken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt dat rechters de redelijke termijn niet generiek mogen verlengen op basis van systeemkenmerken van de gemachtigde, maar een individuele beoordeling per zaak moeten maken. Dit begrenst de bevoegdheid van rechtbanken om structurele werkdrukproblemen af te wentelen op de termijnbescherming van belastingplichtigen.
Praktische impact
Belastingplichtigen wier zaken vertraging oplopen door de drukte of beperkte beschikbaarheid van hun gemachtigde kunnen niet automatisch een verlengde redelijke termijn tegengeworpen krijgen; zij behouden aanspraak op schadevergoeding tenzij in hun specifieke zaak termijnverlenging afdoende is gemotiveerd.
Onderwerp-impact
Voor de overheid als bestuursorgaan en rechterlijke macht betekent dit dat achterstanden in de behandeling van belastingzaken niet door termijnverlenging kunnen worden 'weggeschreven', wat druk legt op het verbeteren van de zaaksplanning en capaciteit.
Samenvatting
In deze belastingzaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn voor de behandeling van een procedure generiek mag worden verlengd van twee naar drie jaar vanwege de hoge werklast en beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van de belanghebbende. De rechtbank had besloten de standaardtermijn van twee jaar met een jaar te verlengen voor alle zaken van deze gemachtigde, omdat hij een zeer groot aantal bezwaar- en beroepsprocedures had lopen, geen personeel had, en zijn beschikbaarheid voor zittingen niet aansloot op het aanbod van zaken. De rechtbank oordeelde dat deze handelwijze aan de belanghebbenden kon worden toegerekend en daarmee aanleiding gaf tot een generieke verlenging. Het gerechtshof verwierp deze aanpak en oordeelde dat verlenging van de redelijke termijn altijd moet worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in de individuele procedure. Hoewel het procesgedrag van een gemachtigde als bijzondere omstandigheid kan gelden, vergt dit steeds een nadere zaakspecifieke afweging. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel van het hof. Een generieke verlenging voor alle zaken van een bepaalde gemachtigde, zonder individuele motivering per zaak, is juridisch onhoudbaar. De beslissing van de rechtbank schoot tekort omdat zij niet had gemotiveerd waarom de capaciteitsproblemen van de gemachtigde in deze specifieke zaak een verlenging rechtvaardigden. Deze uitspraak van de Hoge Raad is richtinggevend voor de belastingrechtspraak: rechters mogen structurele achterstanden die zijn terug te voeren op de werkwijze van een gemachtigde niet oplossen door termijnen te verlengen zonder deugdelijke, zaakgebonden onderbouwing. Belastingplichtigen worden hiermee beschermd tegen een te ruime toepassing van de uitzonderingen op hun recht op vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn.