Hoge Raad: una-via-beginsel niet geschonden bij andere aangiftetijdvakken
ECLI:NL:HR:2026:586, Hoge Raad, 10-04-2026, 25/01557
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Invordering; art. 36 IW, art. 69 AWR, art. 5:44 Awb; aansprakelijkstelling voor naheffingsaanslagen loonheffingen, is het aansprakelijk stellen voor de vergrijpboete naast de strafrechtelijke veroordeling in strijd met het una-viabeginsel?
Kern van de zaak
Een belastingplichtige werd strafrechtelijk veroordeeld voor belastingfraude over 2011 en 2012, én aansprakelijk gesteld voor een vergrijpboete over 2013. Het Hof oordeelde dat dit het una-via-beginsel schond. De Staatssecretaris ging in incidenteel cassatieberoep tegen dat oordeel.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het incidentele beroep in cassatie gegrond en stelt de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete 2013 vast op € 272.509. Het una-via-beginsel is niet geschonden omdat de strafrechtelijke veroordeling en de vergrijpboete betrekking hebben op verschillende aangiftetijdvakken en daarmee op verschillende gedragingen.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad geeft een richtinggevende uitleg over de temporele reikwijdte van het una-via-beginsel in het belastingrecht, wat relevant is voor de praktijk van fiscale handhaving en aansprakelijkstelling.
Belangrijkste punten
- 1Het una-via-beginsel verbiedt dat iemand voor dezelfde gedraging zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk wordt gesanctioneerd.
- 2Strafrechtelijke veroordeling zag op aangiftetijdvakken 2011 en 2012; vergrijpboete zag op aangiftetijdvak 2013.
- 3Verschillende aangiftetijdvakken betekenen verschillende gedragingen, zodat het una-via-beginsel niet van toepassing is.
- 4Het principale beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard via artikel 81 RO (geen motiveringsplicht).
- 5De Hoge Raad doet de zaak zelf af en stelt de aansprakelijkstelling vast op € 272.509.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt de reikwijdte van het una-via-beginsel: dit beginsel vereist dat dezelfde gedraging (in casu hetzelfde aangiftetijdvak) wordt gesanctioneerd; sancties voor verschillende tijdvakken vallen buiten de bescherming van artikel 5:44 Awb.
Praktische impact
Belastingplichtigen die strafrechtelijk zijn vervolgd voor fraude in bepaalde jaren, kunnen desondanks bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor vergrijpboetes over andere belastingjaren.
Onderwerp-impact
Voor belastingfraudezaken betekent dit dat fiscale aansprakelijkstelling (bijv. van bestuurders) niet automatisch geblokkeerd wordt door een eerdere strafrechtelijke veroordeling, zolang het om andere tijdvakken gaat.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de vraag of het una-via-beginsel (neergelegd in artikel 5:44 Awb) was geschonden doordat een belastingplichtige zowel strafrechtelijk was veroordeeld als bestuursrechtelijk aansprakelijk was gesteld voor een vergrijpboete. De belastingplichtige was strafrechtelijk veroordeeld wegens belastingfraude over de aangiftetijdvakken 2011 en 2012. Daarnaast werd hij aansprakelijk gesteld voor een vergrijpboete die betrekking had op het aangiftetijdvak 2013. Het Hof had geoordeeld dat hiermee het una-via-beginsel was geschonden en vernietigde de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete 2013. De Staatssecretaris stelde incidenteel beroep in cassatie in. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte een schending van het una-via-beginsel heeft aangenomen. Het una-via-beginsel beschermt een persoon ertegen dat hij voor dezelfde gedraging zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk wordt gesanctioneerd. Nu de strafrechtelijke veroordeling betrekking had op andere aangiftetijdvakken (2011 en 2012) dan de vergrijpboete (2013), gaat het om sancties voor verschillende gedragingen. Van eenzelfde gedraging is dan geen sprake, en het una-via-beginsel biedt in dat geval geen bescherming. Het incidentele cassatieberoep slaagt dan ook. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof voor zover die de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete 2013 vernietigde, en stelt de aansprakelijkstelling vast op € 272.509. Het principale beroep in cassatie van de belastingplichtige wordt ongegrond verklaard via de verkorte motivering van artikel 81 RO. Deze uitspraak biedt duidelijkheid over de temporele dimensie van het una-via-beginsel: niet elke samenloop van straf- en bestuursrecht levert een schending op, maar slechts wanneer het om precies dezelfde gedraging gaat. Daarbij is het aangiftetijdvak een bepalende afbakeningsfactor.