Hoge Raad: drank pauze theater geen bijkomende btw-prestatie
ECLI:NL:HR:2026:280, Hoge Raad, 13-03-2026, 23/04337
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Omzetbelasting; art. 9 Wet OB; posten a.1, letter c, en b.14, letter d, van Tabel I behorende bij de Wet OB; besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2017, nr. 2017-16288; toegangsprijs theatervoorstelling is inclusief een tijdens de pauze van de voorstelling verstrekt drankje; twee zelfstandige prestaties; verstrekking van het alcoholhoudende drankje belast naar het algemene omzetbelastingtarief; geen schending van het gelijkheidsbeginsel.
Kern van de zaak
Een theaterexploitant stelde dat het verstrekken van alcoholische dranken tijdens de pauze van een voorstelling als bijkomende prestatie het verlaagde btw-tarief van de toegangskaartjes moest volgen. De belastingdienst betwistte dit. Het gerechtshof gaf de exploitant gelijk, waarna cassatie volgde.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de fiscus gegrond, vernietigt de hofuitspraak en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Doorslaggevend is dat het hof een onjuist of onbegrijpelijk toetsingskader heeft gehanteerd voor de beoordeling of de drankenverstrekking een bijkomende prestatie vormt bij de theatervertoning.
Impactscore
HoogDe uitspraak komt van de Hoge Raad, stelt een helder toetsingskader vast voor samengestelde prestaties in de btw en heeft directe gevolgen voor een brede groep culturele instellingen; het betreft echter geen fundamenteel nieuw rechtsregel maar een toepassing en verduidelijking van bestaand Unierecht.
Belangrijkste punten
- 1Elke prestatie is voor de omzetbelasting in beginsel onderscheiden en zelfstandig; samenvoegen is uitzondering.
- 2Een prestatie is slechts 'bijkomend' als zij voor de gemiddelde afnemer geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie beter te genieten.
- 3Het hof heeft innerlijk tegenstrijdige conclusies getrokken over de zelfstandigheid van de drankenverstrekking.
- 4De Hoge Raad verwijst naar HvJ 1 augustus 2025 (Határ Diszkont Kft., C-427/23) als actueel Unierechtelijk kader.
- 5Het verlaagde btw-tarief voor theatertoegang strekt zich niet uit tot de afzonderlijk verhandelde consumpties in de pauze.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt het toetsingskader voor samengestelde prestaties in de omzetbelasting en sluit aan bij recente HvJ-rechtspraak, waarmee de lat voor het kwalificeren van een prestatie als 'bijkomend' hoog blijft liggen.
Praktische impact
Theaterexploitanten en andere culturele instellingen kunnen de drankverkoop tijdens pauzes niet onder het verlaagde btw-tarief brengen door die te koppelen aan de toegangsprijs; het standaard btw-tarief blijft van toepassing op consumpties.
Onderwerp-impact
Voor de culturele en evenementensector bevestigt dit arrest dat gecombineerde diensten (entree + horeca) fiscaal gesplitst moeten worden behandeld, tenzij objectief sprake is van één ondeelbare economische prestatie.
Samenvatting
Deze zaak draait om de vraag of het verstrekken van alcoholische dranken tijdens de pauze van een theatervoorstelling voor de omzetbelasting als een 'bijkomende prestatie' kwalificeert die het verlaagde btw-tarief van de theaterkaartjes volgt. Een theaterexploitant verdedigde dit standpunt met succes bij het gerechtshof, dat oordeelde dat de drankenverstrekking het fiscale lot van de hoofdprestatie (toegang tot de voorstelling) deelde. De staatssecretaris stelde cassatie in en voerde aan dat het hof daarmee een onjuist toetsingskader had gehanteerd, dan wel dit kader op een onbegrijpelijke wijze had toegepast, omdat de redenering tot innerlijk tegenstrijdige conclusies over de zelfstandigheid van de prestaties leidde. De Hoge Raad herhaalt het vaste uitgangspunt dat elke handeling voor de omzetbelasting in beginsel als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Samengestelde prestaties worden slechts als één handeling aangemerkt wanneer de elementen zo nauw verbonden zijn dat zij objectief één niet te splitsen economische prestatie vormen, of wanneer één element de hoofdprestatie is en het andere slechts een bijkomende prestatie die voor de gemiddelde afnemer geen doel op zich vormt. Onder verwijzing naar het recente HvJ-arrest Határ Diszkont Kft. (C-427/23, 1 augustus 2025) concludeert de Hoge Raad dat het hof dit toetsingskader onjuist of onbegrijpelijk heeft toegepast. De drankenverstrekking in de pauze is een zelfstandige prestatie die afzonderlijk wordt afgerekend en waarvoor het standaard btw-tarief geldt. Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, de hofuitspraak wordt vernietigd en de uitspraak van de rechtbank, die de exploitant in het ongelijk had gesteld, wordt bevestigd. Voor de culturele sector betekent dit dat gecombineerde dienstaanbiedingen van entree en horeca fiscaal gesplitst behandeld moeten worden.