JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1709Laag28/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1709, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01550

Hoge RaadUitspraak: 16 oktober 2026Publicatie: 16 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01550
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Gerechtshof Amsterdam. Het verschuldigde griffierecht werd niet betaald. Belanghebbende betoogde dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De doorslaggevende reden is dat het niet-betalen van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt tot niet-ontvankelijkheid, en dat het Unierechtelijke verweer van belanghebbende geen grond oplevert om anders te oordelen of prejudiciële vragen te stellen, conform het eerdere arrest HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een routinebeslissing over niet-ontvankelijkheid wegens onbetaald griffierecht en voegt geen nieuwe rechtsnormen toe; zij verwijst uitdrukkelijk naar het eerder gewezen arrest HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, dat de principiële beslissing bevat.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht werd niet voldaan binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende kennisgeving.
  • 2Belanghebbende beriep zich op artikel 47 EU-Handvest: voorafgaande griffierechtbetaling zou onevenredig zijn; heffing achteraf bij ongegrond beroep zou meer evenredig zijn.
  • 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, onder verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
  • 4Niet-ontvankelijkheid volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij uitblijven van griffierechtbetaling.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat het systeem van voorafgaande griffierechtbetaling niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat er geen aanleiding bestaat voor prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU. Dit sluit aan bij het richtinggevende arrest van 12 juni 2026.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten tijdig griffierecht betalen; het niet-betalen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ongeacht Unierechtelijke verweren over de evenredigheid van het griffierechtensysteem.

Onderwerp-impact

Voor de belastingpraktijk bevestigt deze uitspraak dat procedurele drempels zoals griffierecht strikt worden gehandhaafd en dat creatieve Unierechtelijke argumenten om deze drempels te omzeilen door de Hoge Raad worden verworpen.

Samenvatting

In deze zaak had een belastingplichtige cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad informeerde belanghebbende bij aangetekende brief van 29 mei 2026 over de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Hoewel de brief volgens de Track & Trace-gegevens van PostNL was afgeleverd, bleef betaling uit. Op 30 juni 2026 werd belanghebbende via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. Belanghebbende reageerde op 8 juli 2026 met het standpunt dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Betoogd werd dat heffing achteraf — uitsluitend bij een ongegrond beroep — een veel evenrediger systeem zou zijn dan de regeling van artikel 8:41 Awb. Belanghebbende meende dat de Hoge Raad verplicht was hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwierp dit betoog. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding is voor prejudiciële verwijzing. Het Unierechtelijke verweer levert geen grond op voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Toepassing van artikel 8:41 lid 6 Awb leidde daarom onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege. De uitspraak illustreert dat de Hoge Raad de vaste rechtslijn over griffierecht strikt handhaaft en niet bereid is deze te heroverwegen via prejudiciële procedures.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1704

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1688

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

8/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1698

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1707

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied