Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1704, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01545
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet tijdig betaald, waarna belanghebbende betoogde dat de voorafgaande griffierechtplicht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring die de bestaande lijn uit HR 12 juni 2026 bevestigt zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de juridische nieuwheidswaarde is beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht tijdig aangeboden via aangetekende brief, aantoonbaar afgeleverd via Track&Trace, maar niet betaald door belanghebbende.
- 2Belanghebbende betoogt dat vooraf heffen van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid strijdig is met artikel 47 juncto 52 EU-Handvest.
- 3Hoge Raad verwijst naar eigen eerder arrest (HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915) voor de afwijzing van het argument over EU-rechtelijke strijdigheid.
- 4Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
- 5Niet-ontvankelijkverklaring geschiedt op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb; geen proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt opnieuw dat het voorafgaand verplicht betalen van griffierecht verenigbaar is met artikel 47 EU-Handvest en dat hierover geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld, in lijn met zijn eerdere arrest van juni 2026.
Praktische impact
Rechtszoekenden die cassatieberoep instellen dienen het griffierecht tijdig te voldoen; niet-betaling leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij een EU-rechtelijk bezwaar aanvoeren tegen de betalingsplicht.
Onderwerp-impact
Dit arrest bevestigt de staande praktijk rondom griffierechtinning bij de Hoge Raad in belastingzaken en sluit verdere discussie over EU-rechtelijke aanvechting van dit systeem voorlopig af.
Samenvatting
In deze zaak had een belanghebbende cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (10 maart 2026). De griffier van de Hoge Raad wees de belanghebbende bij aangetekende brief tijdig op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Uit Track&Trace-gegevens van PostNL bleek de brief op het opgegeven adres te zijn afgeleverd. Het griffierecht bleef desondanks onbetaald. Nadat de Hoge Raad de belanghebbende alsnog de gelegenheid gaf om uit te leggen waarom het griffierecht niet was voldaan, reageerde de belanghebbende met het argument dat de verplichting om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling griffierecht te betalen — op straffe van niet-ontvankelijkheid — in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Belanghebbende stelde dat een evenrediger systeem zou zijn waarin griffierecht pas achteraf bij een ongegrond beroep wordt geheven, en drong aan op het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad gaat hier niet in mee. Onder verwijzing naar zijn eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin dit verweer reeds inhoudelijk is beoordeeld en verworpen, ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. De aangevoerde gronden leveren geen reden op om te oordelen dat de belanghebbende niet in verzuim is geweest. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wordt het beroep in cassatie dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak illustreert dat de Hoge Raad de EU-rechtelijke houdbaarheid van het Nederlandse griffierechtenstelsel inmiddels als vaststaand beschouwt en verdere discussie hierover in individuele zaken met een verwijzing naar de eerdere precedentuitspraak afdoet.