JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1707Laag22/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1707, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01548

Hoge RaadUitspraak: 16 oktober 2026Publicatie: 16 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01548
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet betaald binnen de gestelde termijn. Belanghebbende betoogde dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet is voldaan. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een routinematige toepassing van bestaande regels over griffierecht en niet-ontvankelijkheid, zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de Hoge Raad verwijst enkel naar zijn recente arrest van juni 2026.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet betaald na aangetekende aanmaning; bezorging bevestigd via Track&Trace PostNL.
  • 2Belanghebbende betoogde dat vooraf heffen van griffierecht onder artikel 8:41 Awb in strijd is met artikel 47 EU-Handvest jo. artikel 52 EU-Handvest.
  • 3Hoge Raad verwerpt de stelling dat griffierecht pas achteraf bij ongegrond beroep mag worden geheven als evenrediger alternatief.
  • 4Geen aanleiding voor prejudiciële verwijzing naar Hof van Justitie EU, conform eerdere rechtspraak HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt zijn vaste lijn dat de griffierechtplicht ex artikel 8:41 Awb verenigbaar is met artikel 47 EU-Handvest en dat verwijzing naar het Hof van Justitie niet aan de orde is, waarbij hij uitdrukkelijk verwijst naar zijn arrest van juni 2026. Dit versterkt de precedentwerking van die eerdere uitspraak.

Praktische impact

Belastingplichtigen en andere procespartijen die griffierecht niet tijdig betalen, kunnen hun cassatieberoep niet inhoudelijk laten beoordelen; het beroep op EU-grondrechten om betaling te omzeilen of uit te stellen biedt geen soelaas.

Onderwerp-impact

Voor procedures bij de belastingrechter onderstreept deze uitspraak dat het niet-betalen van griffierecht onontkoombaar leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook wanneer een EU-rechtelijk argument wordt ingeroepen.

Samenvatting

In deze zaak stelde een belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2026. De griffier van de Hoge Raad stuurde op 4 juni 2026 een aangetekende brief met het verzoek het verschuldigde griffierecht binnen vier weken te betalen. Ondanks bevestigde bezorging via Track&Trace van PostNL werd het griffierecht niet voldaan. Na een herstelmogelijkheid op 3 juli 2026 diende belanghebbende op 6 juli 2026 een brief in met de stelling dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht als ontvankelijkheidsvoorwaarde onverenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52. Belanghebbende betoogde dat het Hof van Justitie EU zou oordelen dat een stelsel waarbij griffierecht pas achteraf bij een ongegrond beroep wordt geheven veel evenrediger is, en verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad verwerpt dit betoog volledig. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat het argument van belanghebbende geen grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbaar verzuim, en dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Het cassatieberoep wordt daarom op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak illustreert dat de Hoge Raad de bestaande griffierechtregeling als EU-rechtelijk houdbaar beschouwt en dat een beroep op het EU-Handvest om betaling te vermijden of uit te stellen geen succesvol verweer vormt tegen niet-ontvankelijkheid.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1704

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1688

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

8/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1698

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1689

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

5/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied