JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1708Laag28/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1708, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01549

Hoge RaadUitspraak: 16 oktober 2026Publicatie: 16 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01549
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest Artikel 47

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het verschuldigde griffierecht werd niet betaald, waarna belanghebbende betoogde dat vooraf betalen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Het argument dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest wordt verworpen onder verwijzing naar het eerder arrest HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), en er bestaat geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past volledig binnen een reeds door de Hoge Raad in juni 2026 gevestigde lijn en voegt geen nieuwe rechtsontwikkeling toe; het is een routinematige toepassing van artikel 8:41 lid 6 Awb.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht werd niet betaald ondanks aangetekende aanmaning en Track&Trace-bevestiging van aflevering
  • 2Belanghebbende betoogde dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest jo. artikel 52 EU-Handvest
  • 3De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor de afwijzing van dit argument
  • 4Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU
  • 5Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling van griffierecht

Impactanalyse

Juridische impact

Dit arrest bevestigt de staande lijn dat het griffierechtenstelsel van artikel 8:41 Awb verenigbaar is met artikel 47 EU-Handvest, en sluit aan bij het richtinggevende arrest van 12 juni 2026; prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU blijft achterwege.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten het griffierecht tijdig voldoen op straffe van niet-ontvankelijkheid; het niet-betalen kan niet worden gerechtvaardigd met een beroep op Unierechtelijke evenredigheid.

Onderwerp-impact

Voor belastingzaken bij de Hoge Raad bevestigt deze uitspraak dat de griffierechtdrempel als toegangseis tot de cassatierechter standhoudend is en niet door Unierechtelijke argumenten opzij kan worden gezet.

Samenvatting

In deze cassatieprocedure bij de Hoge Raad staat de vraag centraal of een belastingplichtige niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht, en of de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht verenigbaar is met het recht op effectieve rechterlijke bescherming van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De griffier van de Hoge Raad had belanghebbende bij aangetekende brief van 29 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. De brief werd aantoonbaar afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Na een tweede gelegenheid tot het geven van uitleg diende belanghebbende op 8 juli 2026 een brief in, waarin werd betoogd dat het vooraf heffen van griffierecht disproportioneel is ten opzichte van een systeem waarbij griffierecht slechts achteraf bij een ongegrond beroep wordt geheven, en dat dit strijdig is met artikel 47 jo. artikel 52 EU-Handvest. Voorts werd verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen. Het niet-betalen van griffierecht levert geen verschoonbaar verzuim op, en de dwingendrechtelijke consequentie van artikel 8:41 lid 6 Awb treedt in: het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak illustreert dat Unierechtelijke argumenten over de evenredigheid van het griffierechtenstelsel door de Hoge Raad als afgedaan worden beschouwd na het principiële arrest van juni 2026.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1704

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1688

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

8/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1698

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1707

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied