JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1705Laag28/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1705, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01546

Hoge RaadUitspraak: 16 oktober 2026Publicatie: 16 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01546
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het vereiste griffierecht werd niet betaald, waarna de belastingplichtige betoogde dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJ EU moet stellen.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Het betoog dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met het EU-Handvest en dat prejudiciële vragen gesteld moeten worden, wordt verworpen onder verwijzing naar een eerder arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

28van 100

Impactscore

Laag

Het arrest is een routinematige toepassing van een reeds gevestigde lijn (HR 12 juni 2026) en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is puur processueel en betreft een individuele niet-ontvankelijkverklaring.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet betaald na aangetekende brief en Track&Trace-bevestiging van aflevering
  • 2Belastingplichtige stelt dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest
  • 3Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU
  • 4Verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915 voor de inhoudelijke gronden
  • 5Geen veroordeling in proceskosten uitgesproken

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt wederom dat het stelsel van voorafgaande griffierechtbetaling ex artikel 8:41 Awb niet in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat prejudiciële vragen hierover niet nodig zijn. Dit arrest consolideert de lijn uit HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen dienen het griffierecht tijdig te voldoen; het niet-betalen leidt onverkort tot niet-ontvankelijkheid, ook als EU-rechtelijke bezwaren worden aangevoerd. De mogelijkheid om die verplichting te omzeilen via een Unierechtelijk argument is door de Hoge Raad definitief afgesloten.

Onderwerp-impact

Voor belastingprocedures bevestigt dit arrest dat de drempel van griffierecht als procesvereiste overeind blijft; belastingadviseurs en procespartijen kunnen niet volstaan met een EU-rechtelijk verweer om betaling te ontlopen.

Samenvatting

In deze zaak had een belastingplichtige cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad had belanghebbende per aangetekende brief – aantoonbaar bezorgd via Track&Trace – gewezen op de verplichting griffierecht te betalen en daarvoor een termijn van vier weken gesteld. Na het uitblijven van betaling werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom niet was betaald. In reactie hierop voerde belanghebbende aan dat het systeem van verplichte voorafgaande griffierechtbetaling op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Volgens belanghebbende zou het Hof van Justitie van de EU oordelen dat griffierecht pas achteraf bij een ongegrond beroep mag worden geheven, omdat dit een evenrediger maatregel zou zijn. Belanghebbende meende dat de Hoge Raad verplicht was hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De Hoge Raad verwierp dit betoog en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Voor de inhoudelijke motivering verwees de Hoge Raad volledig naar de rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), op grond waarvan geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Daarmee staat vast dat het stelsel van voorafgaande griffierechtbetaling niet in strijd is met het EU-Handvest. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Dit arrest heeft beperkte zelfstandige juridische betekenis, nu het slechts de reeds gevestigde lijn bevestigt en geen nieuwe rechtsvragen beantwoordt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1704

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1688

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

8/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1698

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1707

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied