JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1703Laag22/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1703, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01544

Hoge RaadUitspraak: 16 oktober 2026Publicatie: 16 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01544
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingzaak. Het griffierecht werd niet voldaan. Belanghebbende betoogde dat de verplichting tot vooraf betalen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen aan het HvJ EU moet stellen.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) waarin dit verweer reeds uitgebreid is verworpen.

22van 100

Impactscore

Laag

Het arrest is een bevestiging van reeds gevestigde rechtspraak (ECLI:NL:HR:2026:915) en betreft een procedurele afdoening wegens niet-betaling van griffierecht; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende kennisgeving.
  • 2Belanghebbende voerde aan dat vooraf heffen van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid strijdig is met artikel 47 EU-Handvest jo. artikel 52 EU-Handvest.
  • 3De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen aanleiding voor prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU.
  • 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt rechtstreeks uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling van griffierecht.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

Dit arrest bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat de griffierechtplicht vooraf als ontvankelijkheidsvoorwaarde verenigbaar is met artikel 47 EU-Handvest, en dat hiervoor geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld hoeven te worden. Het versterkt de bindende werking van het eerdere arrest ECLI:NL:HR:2026:915 op dit punt.

Praktische impact

Belastingplichtigen en hun gemachtigden worden nogmaals gewaarschuwd dat het niet tijdig betalen van griffierecht onherroepelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij de verschuldigdheid van griffierecht principieel betwisten. Een EU-rechtelijk verweer op dit punt biedt geen soelaas.

Onderwerp-impact

Voor belastingprocedures bij de Hoge Raad geldt onverkort dat griffierecht tijdig voldaan moet worden; pogingen om via het EU-Handvest een ander systeem (achteraf heffen bij ongegrond beroep) af te dwingen, worden consistent afgewezen.

Samenvatting

In deze zaak stelde een belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingkwestie. Na aangetekende kennisgeving over de verschuldigdheid van griffierecht bleef betaling uit. De Hoge Raad bood belanghebbende nog de mogelijkheid te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. In reactie hierop betoogde belanghebbende dat de regeling van verplichte voorafgaande betaling van griffierecht als ontvankelijkheidsvoorwaarde — neergelegd in artikel 8:41 Awb — in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Belanghebbende stelde dat een stelsel waarbij griffierecht pas achteraf wordt geheven bij een ongegronde uitkomst, proportioneler zou zijn, en dat de Hoge Raad hierover verplicht prejudiciële vragen dient te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog en verwijst daarvoor uitdrukkelijk naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin dezelfde principiële vraag reeds uitvoerig is beoordeeld en ontkennend beantwoord. Nu de argumenten van belanghebbende geen nieuw licht werpen op die beoordeling, ziet de Hoge Raad evenmin aanleiding om thans prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Het gevolg is dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het uitblijven van de griffierechtvoldoening. Het arrest heeft een beperkte zelfstandige juridische betekenis: het bevestigt en consolideert de lijn die de Hoge Raad eerder in 2026 heeft uitgezet, maar voegt daar inhoudelijk niets aan toe. Voor de praktijk onderstreept de uitspraak dat het tijdig voldoen van griffierecht een harde processuele voorwaarde blijft, waaraan ook EU-rechtelijke verweren niets kunnen afdoen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1704

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1688

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

8/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1698

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1707

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied