JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1702Laag28/100

Hoge Raad: cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1702, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01543

Hoge RaadUitspraak: 16 oktober 2026Publicatie: 16 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01543
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Artikel 47 Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet betaald binnen de gestelde termijn. Belanghebbende betoogde dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens het niet betalen van het verschuldigde griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past volledig in een reeds in juni 2026 uitgezette lijn en stelt geen nieuwe rechtsregels; de niet-ontvankelijkverklaring is een standaardtoepassing van artikel 8:41 Awb zonder bijzondere nieuwe juridische overwegingen.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijn van vier weken, ondanks aangetekende kennisgeving en een herstelmogelijkheid via het digitale dossier.
  • 2Belanghebbende beroept zich op artikel 47 EU-Handvest (recht op effectieve rechtsbescherming) en stelt dat voorafgaande griffierechtbetaling onevenredig is.
  • 3De Hoge Raad verwijst naar zijn eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen reden af te wijken van die lijn.
  • 4Geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van artikel 8:41 Awb met het EU-Handvest.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt dat de regeling van verplichte voorafgaande betaling van griffierecht (artikel 8:41 Awb) niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest, en dat hierover geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld. Dit sluit aan op de lijn die al in juni 2026 werd uitgezet.

Praktische impact

Belastingplichtigen en andere procespartijen die griffierecht niet tijdig betalen riskeren niet-ontvankelijkverklaring, ongeacht inhoudelijke argumenten over de evenredigheid van het griffierechtenstelsel.

Onderwerp-impact

Voor belastingprocedures bij de Hoge Raad geldt onverkort de verplichting griffierecht vooraf te voldoen; het beroep op EU-grondrechten als alternatief slaagt niet.

Samenvatting

In deze zaak stelde belanghebbende beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad stuurde een aangetekende brief met het verzoek het verschuldigde griffierecht binnen vier weken te betalen. Uit de Track&Trace-gegevens bleek dat de brief was afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht bleef onbetaald. Na een aanvullende kennisgeving via het digitale dossier reageerde belanghebbende op 6 juli 2026 met het standpunt dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Belanghebbende betoogde dat een systeem waarbij griffierecht pas achteraf bij een ongegrond beroep wordt geheven veel evenrediger zou zijn, en vroeg de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwierp dit verweer. Onder verwijzing naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin hetzelfde standpunt al uitvoerig was beoordeeld en verworpen, zag de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen. Het betoog van belanghebbende leverde geen grond op voor het oordeel dat sprake was van een verschoonbaar verzuim. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling werd niet uitgesproken. De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat de Nederlandse regeling van voorafgaande griffierechtbetaling verenigbaar is met het EU-Handvest en dat hierover geen prejudiciële vragen nodig zijn.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1704

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1688

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

8/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1698

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·16 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1707

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied