Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
ECLI:NL:HR:2026:1699, Hoge Raad, 16-10-2026, 26/01954
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende ging in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2025. Het beroepschrift in cassatie werd echter pas op 22 mei 2026 ontvangen, ruim zeven maanden na het verstrijken van de beroepstermijn van zes weken.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken (artikel 6:7 Awb) is ingediend en belanghebbende geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding heeft aangedragen.
Impactscore
LaagHet betreft een zuivere procedurele beslissing zonder inhoudelijke rechtsoordelen; de Hoge Raad past enkel bestaande, vaste regels over termijnoverschrijding toe zonder nieuwe rechtsnormen te formuleren.
Belangrijkste punten
- 1De uitspraak van het Hof Amsterdam werd op 9 september 2025 aangetekend verzonden; de cassatietermijn eindigde op 21 oktober 2025.
- 2Het beroepschrift in cassatie werd pas op 22 mei 2026 ontvangen, ruim zeven maanden te laat.
- 3Belanghebbende werd in de gelegenheid gesteld de termijnoverschrijding te verklaren, maar de aangevoerde gronden leverden geen verschoonbaarheid op.
- 4Een reactie van 15 augustus 2026 werd buiten beschouwing gelaten omdat deze na de gestelde hersteltermijn van vier weken binnenkwam.
- 5De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de strikte handhaving van de cassatietermijn van zes weken ex artikel 6:7 Awb en het vereiste van verschoonbaarheid bij termijnoverschrijding. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld; het betreft toepassing van vaste jurisprudentie.
Praktische impact
Voor belanghebbende betekent de niet-ontvankelijkverklaring dat de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam onherroepelijk is geworden en inhoudelijke cassatietoetsing niet meer mogelijk is.
Onderwerp-impact
In belastingzaken benadrukt deze uitspraak dat procespartijen de aangetekende verzending van uitspraken nauwkeurig moeten bijhouden en direct actie moeten ondernemen om te voorkomen dat cassatietermijnen ongemerkt verstrijken.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 oktober 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2025. De uitspraak van het Hof was op 9 september 2025 aangetekend aan belanghebbende verzonden, waarmee de wettelijke beroepstermijn van zes weken op grond van artikel 6:7 Awb liep tot en met 21 oktober 2025. Het beroepschrift in cassatie werd evenwel pas op 22 mei 2026 bij de griffie van de Hoge Raad ontvangen, ruim zeven maanden na het verstrijken van de termijn. Evenmin was het beroepschrift tijdig ter post bezorgd in de zin van artikel 6:9 lid 2 Awb. De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende bij brief van 24 juli 2026 in de gelegenheid om binnen vier weken een verklaring te geven voor de termijnoverschrijding. Belanghebbende reageerde bij brieven van 17 juli 2026 en 2 augustus 2026. De Hoge Raad oordeelde dat de daarin aangevoerde gronden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Een derde reactie, gedagtekend 15 augustus 2026 maar pas op 27 augustus 2026 ontvangen, werd buiten beschouwing gelaten omdat deze na het verstrijken van de gegunde hersteltermijn van vier weken binnenkwam. De centrale juridische vraag was of sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding die ontvankelijkheid van het cassatieberoep alsnog zou kunnen rechtvaardigen. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend. Het beroep in cassatie werd niet-ontvankelijk verklaard, zonder veroordeling in de proceskosten. Hiermee staat de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam onherroepelijk vast. De beslissing is puur procedureel van aard en bevestigt de strikte handhaving van wettelijke cassatietermijnen.