JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1653Laag8/100

Hoge Raad verklaart cassatie ANW-zaak niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

ECLI:NL:HR:2026:1653, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/02305

Hoge RaadUitspraak: 9 oktober 2026Publicatie: 9 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/02305
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Beroepstermijn
Cassatie
Niet Ontvankelijk
Termijnoverschrijding
Anw

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belanghebbende ging in cassatie bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in een ANW-zaak (Algemene nabestaandenwet). De uitspraak van de CRvB dateerde van 19 maart 2026, maar het beroepschrift in cassatie werd pas op 16 juni 2026 ontvangen, ruim na de wettelijke beroepstermijn van zes weken.

Beslissing van de rechter

Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat is ingediend. De beroepstermijn eindigde op 30 april 2026, terwijl het beroepschrift pas op 16 juni 2026 bij de Hoge Raad binnenkwam; de belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de geboden herstelmogelijkheid om de termijnoverschrijding te verklaren.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding zonder inhoudelijke beoordeling; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord of fundamentele regels gesteld. De uitspraak heeft slechts betekenis voor de directbetrokkene.

Belangrijkste punten

  • 1De beroepstermijn in de zin van artikel 6:7 Awb bedraagt zes weken en eindigde op 30 april 2026.
  • 2Het beroepschrift in cassatie werd op 16 juni 2026 ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn.
  • 3Ook artikel 6:9 lid 2 Awb (tijdig ter post bezorgd) biedt geen uitkomst; het beroep is evenmin langs die weg tijdig ingediend.
  • 4Belanghebbende is door de griffier in de gelegenheid gesteld de termijnoverschrijding te verklaren, maar heeft hiervan niet tijdig gebruik gemaakt.
  • 5Brieven van 14 en 22 juli 2026 zijn pas op 4 en 5 augustus 2026 ontvangen, buiten de gestelde hersteltermijn, en worden buiten beschouwing gelaten.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de cassatietermijn ex artikel 6:7 Awb en de verplichting voor de rechter om bij termijnoverschrijding een herstelmogelijkheid te bieden, maar bij uitblijven van een tijdige reactie het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dit is een standaardtoepassing van vaste procesrechtelijke regels.

Praktische impact

Belanghebbende verliest hierdoor definitief de mogelijkheid om de uitspraak van de CRvB aan te vechten; de beslissing in de ANW-zaak staat daarmee onherroepelijk vast. Voor andere rechtzoekenden benadrukt dit het belang van het strikt bewaken van beroepstermijnen.

Onderwerp-impact

In nabestaandenuitkeringszaken (ANW) is tijdige rechtsbescherming cruciaal; een gemiste cassatietermijn leidt tot definitief verlies van aanspraken op herziening, wat grote financiële gevolgen kan hebben voor nabestaanden.

Samenvatting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 9 oktober 2026 een beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard dat was ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2026 in een ANW-kwestie. De kern van de beslissing is puur procesrechtelijk van aard: het beroepschrift in cassatie werd pas op 16 juni 2026 bij de griffie van de Hoge Raad ontvangen, terwijl de wettelijke beroepstermijn van zes weken (artikel 6:7 Awb) op 30 april 2026 al was verstreken. Ook de alternatieve route van artikel 6:9 lid 2 Awb – tijdige terpostbezorging – bood geen soelaas. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende na constatering van de termijnoverschrijding bij brief van 23 juni 2026 een hersteltermijn van vier weken geboden om alsnog een verklaring voor de overschrijding te geven, conform de vaste lijn in het bestuurs(proces)recht. Belanghebbende heeft echter niet binnen die hersteltermijn gereageerd. De brieven die op 14 en 22 juli 2026 zijn verzonden, kwamen pas op 4 respectievelijk 5 augustus 2026 bij de Hoge Raad binnen, dus na het verstrijken van de hersteltermijn; deze zijn daarom buiten beschouwing gelaten. Nu een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding niet is gebleken, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de CRvB staat daarmee onherroepelijk vast. Deze beslissing stelt geen nieuwe rechtsregels maar illustreert de strikte handhaving van procesrechtelijke termijnen, ook in sociale zekerheidszaken waarbij kwetsbare partijen betrokken zijn. Voor rechtzoekenden onderstreept dit het cruciale belang van tijdig handelen en het zorgvuldig bijhouden van beroepstermijnen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1645

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen gemeente Best

8/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1652

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1659

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1654

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied