Cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1574, Hoge Raad, 25-09-2026, 26/00111
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 november 2025. De griffier wees de belanghebbende per aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Het griffierecht werd niet betaald en de belanghebbende reageerde evenmin op de nadere gelegenheid om uit te leggen waarom.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De doorslaggevende reden is dat de belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan binnen de gestelde termijn en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om dit te verantwoorden, ondanks aantoonbare ontvangst van zowel de aangetekende brief als de digitale kennisgeving.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en betreft een standaardtoepassing van bestaande griffierechtregels zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de impact beperkt zich tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet betaald na aangetekende brief met betalingstermijn van vier weken.
- 2Afhaling op PostNL-afhaallocatie geldt als bewijs van ontvangst van de brief.
- 3Digitale kennisgeving via e-mail op 17 juli 2026 telt als ontvangst op diezelfde datum (art. 8:36c lid 2 Awb).
- 4Belanghebbende heeft geen gebruikgemaakt van de herstelmogelijkheid om de niet-betaling te verantwoorden.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 8:41 lid 6 Awb: niet-betaling van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook wanneer de rechter een nadere herstelmogelijkheid heeft geboden. De digitale kennisgevingsregels van artikel 8:36c lid 2 Awb worden bevestigend toegepast.
Praktische impact
Procespartijen die beroep in cassatie instellen dienen tijdig griffierecht te betalen; het niet reageren op digitale kennisgevingen via het opgegeven e-mailadres biedt geen bescherming tegen niet-ontvankelijkheid.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtige partijen in fiscale cassatieprocedures onderstreept deze uitspraak het belang van actieve opvolging van administratieve verplichtingen, waaronder tijdige betaling van griffierecht.
Samenvatting
In deze cassatieprocedure voor de Hoge Raad had een belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 november 2025. De zaak draaide niet inhoudelijk om het geschil zelf, maar uitsluitend om de processuele vraag of het beroep in cassatie ontvankelijk was. De griffier van de Hoge Raad wees de belanghebbende per aangetekende brief van 17 juni 2026 op de verplichting griffierecht te betalen, met een betalingstermijn van vier weken. Uit de Track & Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op de afhaallocatie was opgehaald, zodat ontvangst vaststond. Betaling bleef echter uit. Op 17 juli 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van de belanghebbende, waarbij werd gevraagd naar de reden van niet-betaling. Een kennisgeving hiervan werd diezelfde dag per e-mail verstuurd naar het door de belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb nam de Hoge Raad aan dat de belanghebbende dit bericht op 17 juli 2026 had ontvangen. De belanghebbende reageerde echter niet en ondernam evenmin actie om het griffierecht alsnog te voldoen. De Hoge Raad concludeerde dat aan alle wettelijke vereisten voor niet-ontvankelijkverklaring was voldaan. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Voor een proceskostenveroordeling zag de Hoge Raad geen aanleiding. Deze uitspraak heeft geen inhoudelijke rechtsontwikkeling tot gevolg, maar bevestigt de strikte toepassing van de griffierechtregels en de werking van digitale kennisgevingen in het bestuursprocesrecht.