Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1573, Hoge Raad, 25-09-2026, 26/00110
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 november 2025. De griffier maande de belanghebbende per aangetekende brief tot betaling van griffierecht, maar dit bleef uit. Ook na een tweede kennisgeving via het digitale dossier en e-mail reageerde belanghebbende niet.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het verschuldigde griffierecht niet is voldaan en belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om dat toe te lichten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactscore
LaagHet betreft een zuiver procedurele niet-ontvankelijkverklaring wegens onbetaald griffierecht zonder enige inhoudelijke rechtsoverweging; de uitkomst is routinematig en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief van 17 juni 2026.
- 2De aangetekende brief is volgens Track&Trace afgehaald op de afhaallocatie, zodat ontvangst wordt aangenomen.
- 3Belanghebbende heeft evenmin gereageerd op de digitale kennisgeving van 17 juli 2026 in het digitale dossier.
- 4Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt het bericht geacht ontvangen te zijn op de dag van plaatsing (17 juli 2026).
- 5Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij uitblijven van betaling én verklaring.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de griffierechtregeling in cassatie: niet-betaling zonder nadere toelichting leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid. De digitale kennisgevingssystematiek van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt daarbij als rechtsgeldige ontvangstbevestiging aanvaard.
Praktische impact
Procespartijen in cassatie dienen tijdig griffierecht te voldaan en actief hun digitaal dossier te monitoren; nalaten hiervan heeft een definitief einde van de procedure tot gevolg zonder inhoudelijke beoordeling van de rechtsvraag.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtigen die in cassatie gaan, benadrukt deze uitspraak dat procedurele verplichtingen zoals griffierechtbetaling even zwaar wegen als de inhoudelijke fiscale rechtsvraag.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 25 september 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die zijn oorsprong vindt in een belastinggeschil. Het Gerechtshof Amsterdam had op 25 november 2025 uitspraak gedaan (nr. 23/616), waartegen de belastingplichtige (aangeduid als 'belanghebbende') beroep in cassatie instelde bij de Hoge Raad. De centrale juridische vraag in deze fase betrof uitsluitend de ontvankelijkheid van het cassatieberoep: heeft de belanghebbende voldaan aan de verplichting tot betaling van griffierecht? De griffier van de Hoge Raad attendeerde de belanghebbende bij aangetekende brief van 17 juni 2026 op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Hoewel de brief blijkens Track&Trace-gegevens van PostNL is afgehaald op een afhaallocatie — en daarmee geacht wordt ontvangen te zijn — bleef betaling uit. Vervolgens plaatste de griffier op 17 juli 2026 een bericht in het digitale procesdossier van de belanghebbende, waarbij de gelegenheid werd geboden uitleg te geven over het uitblijven van de betaling. Van deze plaatsing werd dezelfde dag een kennisgeving verzonden naar het door de belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb neemt de Hoge Raad aan dat dit bericht op 17 juli 2026 is ontvangen. Belanghebbende heeft noch betaald, noch gereageerd op de geboden gelegenheid. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Dit voorschrift bepaalt dwingend dat een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het griffierecht niet tijdig wordt voldaan en de betrokkene geen gebruik maakt van de herstelmogelijkheid. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is volledig procedureel van aard en bevat geen oordeel over de onderliggende fiscale rechtsvraag.