Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onvoldoende bewijs betalingsonmacht
ECLI:NL:HR:2026:1570, Hoge Raad, 25-09-2026, 24/03419
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige rechtspersoon (belanghebbende) stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024 in een belastingzaak. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht en diende daarvoor diverse financiële stukken in, waaronder salarisspecificaties van de bestuurder en belastingaangiften.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende er niet in is geslaagd de betalingsonmacht voor het griffierecht voldoende te onderbouwen met de aangeleverde stukken, waardoor niet aan de voorwaarden van artikel 8:41 lid 6 Awb is voldaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en bevestigt bestaande jurisprudentie zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is beperkt tot de specifieke situatie van betalingsonmacht bij rechtspersonen in cassatieprocedures.
Belangrijkste punten
- 1Beroep op betalingsonmacht griffierecht door rechtspersoon op grond van art. 8:41 lid 6 Awb jo. art. 29 AWR en art. 8:109 Awb
- 2Ingediende stukken (salarisspecificaties bestuurder, vpb-aangifte 2019, uitstelbrief vpb 2020) worden als onvoldoende onderbouwing aangemerkt
- 3Salarisgegevens van de bestuurder zijn niet gelijkgesteld aan financiële positie van de rechtspersoon zelf
- 4De Hoge Raad past een strikt bewijsregime toe bij betalingsonmacht voor rechtspersonen, conform eerdere jurisprudentie (HR 7 november 2025, HR 24 juni 2022)
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat bij rechtspersonen die een beroep doen op betalingsonmacht voor griffierecht, salarisgegevens van de bestuurder onvoldoende zijn om de financiële onmacht van de rechtspersoon zelf aan te tonen. Dit stelt hoge eisen aan de onderbouwing door rechtspersonen.
Praktische impact
Rechtspersonen die in cassatie willen gaan maar stellen het griffierecht niet te kunnen betalen, moeten deugdelijke financiële informatie over de rechtspersoon zelf overleggen (zoals actuele balans, resultatenrekening of bankafschriften), en kunnen niet volstaan met persoonlijke financiële gegevens van hun bestuurder.
Onderwerp-impact
In belastingzaken waarbij vennootschappen procedurekosten niet kunnen dragen, is de drempel voor toegang tot cassatie via het betalingsonmachtsregime hoog; onvolledige financiële verantwoording leidt direct tot niet-ontvankelijkheid.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belastingplichtige rechtspersoon beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024. Omdat het griffierecht voor de cassatieprocedure verschuldigd was, deed belanghebbende een beroep op betalingsonmacht als bedoeld in artikel 8:41 lid 6 Awb, gelezen in samenhang met artikel 29 AWR en artikel 8:109 Awb. De griffier stelde belanghebbende in de gelegenheid de betalingsonmacht nader te onderbouwen. Ter onderbouwing legde belanghebbende via het webportaal van de Hoge Raad een aantal stukken over: salarisspecificaties van de bestuurder over diverse periodes in 2024, een afdruk van de vennootschapsbelastingaangifte over 2019, een brief van de Ontvanger over uitstel voor het indienen van de vpb-aangifte 2020, en een aanvullende brief. De centrale juridische vraag was of belanghebbende hiermee voldoende had aangetoond dat zij niet in staat was het griffierecht te voldoen. De Hoge Raad oordeelde van niet. De aangeleverde stukken – in het bijzonder de salarisspecificaties van de bestuurder – geven inzicht in de persoonlijke financiële positie van de bestuurder, maar niet in de actuele financiële toestand van de rechtspersoon zelf. Verouderde belastingaangiften en een uitstelbrief zijn evenmin toereikend om de huidige betalingsonmacht van de vennootschap te onderbouwen. Onder verwijzing naar eerdere arresten, waaronder HR 7 november 2025 en HR 24 juni 2022, concludeert de Hoge Raad dat niet is voldaan aan de vereisten voor het beroep op betalingsonmacht. Het beroep in cassatie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak onderstreept dat rechtspersonen bij een beroep op betalingsonmacht concrete, actuele en op de rechtspersoon betrekking hebbende financiële informatie moeten verstrekken.