Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1569, Hoge Raad, 25-09-2026, 24/03418
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende (rechtspersoon) heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024 in een belastingzaak. De belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht ter zake van het verschuldigde griffierecht. De griffier gaf de belanghebbende de gelegenheid dit te onderbouwen met financiële stukken.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat het beroep op betalingsonmacht onvoldoende is onderbouwd, waardoor de verschuldigde griffierechten niet (tijdig) zijn voldaan.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring wegens onvoldoende onderbouwing van betalingsonmacht, zonder inhoudelijke beoordeling van de belastingzaak. De uitkomst is casuïstisch van aard en sluit slechts aan bij bestaande vaste jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Beroep op betalingsonmacht ex art. 8:41 lid 6 Awb jo. art. 29 AWR en art. 8:109 Awb door een rechtspersoon (bv)
- 2Griffier stelde belanghebbende in de gelegenheid betalingsonmacht te onderbouwen met financiële bescheiden
- 3Ingediende stukken omvatten salarisspecificaties bestuurder, vennootschapsbelastingaangifte 2019 en correspondentie Ontvanger over uitstel aangifte 2020
- 4De Hoge Raad oordeelt dat de onderbouwing onvoldoende is en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk
- 5Geen veroordeling in de proceskosten
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte eisen die de Hoge Raad stelt aan de onderbouwing van betalingsonmacht door rechtspersonen in cassatieprocedures. Het arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie (o.a. HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651) over de vereisten voor een geslaagd beroep op vrijstelling van griffierecht.
Praktische impact
Rechtspersonen die een beroep op betalingsonmacht willen doen in cassatieprocedures dienen afdoende financiële documentatie aan te leveren; het overleggen van salarisspecificaties van een bestuurder en een verouderde aangifte vennootschapsbelasting volstaat daarvoor niet.
Onderwerp-impact
In belastingzaken waarbij rechtspersonen in financiële moeilijkheden cassatie overwegen, is het van groot belang tijdig en volledig te documenteren dat betaling van griffierecht daadwerkelijk onmogelijk is, bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 25 september 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een beroep in cassatie dat was ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024 in een belastingkwestie. De belanghebbende — een rechtspersoon — had verzuimd het verschuldigde griffierecht te betalen en deed daarvoor een beroep op betalingsonmacht, zoals geregeld in artikel 8:41 lid 6 Awb in samenhang met artikel 29 AWR en artikel 8:109 Awb. De griffier van de Hoge Raad bood de belanghebbende de gelegenheid dit beroep nader te onderbouwen. Op 2 december 2024 werden via het webportaal van de Hoge Raad verschillende stukken ingediend: een ingevuld formulier 'Verklaring afwezigheid vermogen', salarisspecificaties van de bestuurder van de vennootschap over meerdere perioden in 2024, een afdruk van de aangifte vennootschapsbelasting 2019, een brief van de Ontvanger over uitstel voor de aangifte vennootschapsbelasting 2020, en een begeleidende brief. De centrale juridische vraag was of de ingediende stukken voldoende bewijs opleverden voor betalingsonmacht als bedoeld in de toepasselijke wettelijke bepalingen. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. De overgelegde documentatie — met name de salarisspecificaties van de bestuurder (niet van de rechtspersoon zelf) en een verouderde aangifte vennootschapsbelasting — volstaat niet om de betalingsonmacht van de rechtspersoon als zodanig genoegzaam aan te tonen. Omdat het griffierecht niet is voldaan en het beroep op betalingsonmacht faalt, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Dit arrest past binnen een reeks uitspraken waarin de Hoge Raad de eisen voor betalingsonmacht van rechtspersonen preciseert.