Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1568, Hoge Raad, 25-09-2026, 24/03417
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een vennootschap (belanghebbende) ging in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024 in een belastingzaak. De vennootschap deed een beroep op betalingsonmacht om het griffierecht voor de cassatieprocedure niet te hoeven betalen. De griffier verzocht nadere onderbouwing van de betalingsonmacht.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat het beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht niet afdoende is onderbouwd, waardoor het verschuldigde griffierecht niet is voldaan en ontvankelijkheid ontbreekt.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en bevestigt reeds bestaande rechtspraak over betalingsonmacht en griffierecht; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de inhoudelijke belastingkwestie wordt niet beoordeeld.
Belangrijkste punten
- 1Belanghebbende (vennootschap) deed een beroep op betalingsonmacht ex artikel 8:41 lid 6 Awb jo. artikel 29 AWR en artikel 8:109 Awb voor het griffierecht in cassatie.
- 2De griffier bood gelegenheid tot onderbouwing; belanghebbende overlegde salarisspecificaties van de bestuurder, een vennootschapsbelastingaangifte 2019 en correspondentie over uitstel aangifte 2020.
- 3De overgelegde stukken werden kennelijk onvoldoende bevonden om betalingsonmacht van de vennootschap zelf aan te tonen.
- 4De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten (o.a. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853) over de vereisten voor onderbouwing van betalingsonmacht.
- 5Er is geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strenge eisen die de Hoge Raad stelt aan de onderbouwing van betalingsonmacht door rechtspersonen: persoonlijke financiële gegevens van de bestuurder zijn op zichzelf onvoldoende om betalingsonmacht van de vennootschap aan te tonen. Dit sluit aan bij een reeks recente arresten over dit thema.
Praktische impact
Vennootschappen die in cassatie beroep doen op betalingsonmacht dienen deugdelijke financiële informatie over de vennootschap zelf te overleggen; het enkel aanleveren van salarisspecificaties van de bestuurder volstaat niet om het griffierecht te ontlopen.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtige rechtspersonen die in financiële moeilijkheden verkeren en cassatie overwegen, verduidelijkt deze uitspraak dat tijdige en volledige financiële documentatie van de entiteit zelf cruciaal is om niet-ontvankelijkheid te voorkomen.
Samenvatting
In deze zaak ging een vennootschap in cassatie bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024 in een belastinggeschil. Omdat de vennootschap het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht niet kon of wilde betalen, deed zij een beroep op betalingsonmacht op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, gelezen in samenhang met artikel 29 AWR en artikel 8:109 Awb. De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid dit beroep nader te onderbouwen. In reactie hierop werden via het webportaal van de Hoge Raad diverse stukken ingediend: salarisspecificaties van de bestuurder van de vennootschap over een reeks loonperioden in 2024, een afdruk van de vennootschapsbelastingaangifte over het jaar 2019, een brief van de Ontvanger over uitstel voor de aangifte vennootschapsbelasting 2020, en een aanvullende brief. De Hoge Raad oordeelde dat de overgelegde stukken de betalingsonmacht van de vennootschap zelf onvoldoende aantonen. Salarisspecificaties van de bestuurder zeggen immers primair iets over de persoonlijke financiële positie van die bestuurder, niet over de financiële toestand van de vennootschap als zelfstandige rechtspersoon. Nu de betalingsonmacht niet genoegzaam is onderbouwd en het griffierecht daarmee niet is voldaan, ontbreekt een processuele voorwaarde voor ontvankelijkheid. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie dan ook niet-ontvankelijk, onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak hierover, waaronder het arrest van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak onderstreept dat rechtspersonen die betalingsonmacht inroepen, overtuigend bewijs moeten aanleveren over de financiële situatie van de entiteit zelf, niet louter van haar bestuurder.