JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1566Laag28/100

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1566, Hoge Raad, 25-09-2026, 23/04718

Hoge RaadUitspraak: 25 september 2026Publicatie: 25 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:23/04718
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Vennootschapsbelasting
Griffierecht
Betalingsonmacht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belanghebbende (rechtspersoon) heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingzaak. Omdat het griffierecht niet was betaald, deed belanghebbende een beroep op betalingsonmacht. De griffier oordeelde dat de betalingsonmacht onvoldoende was onderbouwd.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat de belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan en de gestelde betalingsonmacht niet aannemelijk heeft gemaakt met de ingediende stukken.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past in een vaste jurisprudentielijn en stelt geen nieuwe rechtsregels; het betreft een toepassing van bestaande griffierechtprocedures op een individueel geval zonder bredere rechtsontwikkeling.

Belangrijkste punten

  • 1Beroep op betalingsonmacht (art. 8:41 lid 6 Awb jo. art. 29 AWR en art. 8:109 Awb) werd door de griffier afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
  • 2Ingediende stukken (verklaring afwezigheid vermogen, salarisspecificatie bestuurder, aangifte VPB 2019 en brief) waren ontoereikend om betalingsonmacht aannemelijk te maken.
  • 3Na herhaalde kans tot betaling van griffierecht bleef voldoening uit, wat leidde tot niet-ontvankelijkheid.
  • 4De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
  • 5De uitspraak sluit aan bij eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over griffierecht en betalingsonmacht (HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strenge eisen die gelden voor onderbouwing van betalingsonmacht bij griffierecht in cassatieprocedures; losse financiële stukken zonder volledig en actueel inzicht in de vermogenspositie zijn onvoldoende. Dit sluit aan bij een consistente lijn in de Hoge Raad-jurisprudentie.

Praktische impact

Belastingplichtigen (ook rechtspersonen) die een beroep doen op betalingsonmacht moeten een volledig en actueel financieel beeld overleggen; verouderde aangiftes en partiële loonoverzichten zijn niet voldoende om griffierecht te ontlopen.

Onderwerp-impact

Voor belastingplichtige rechtspersonen betekent dit dat de toegang tot cassatie in belastingzaken effectief wordt geblokkeerd wanneer zij het griffierecht niet betalen én betalingsonmacht niet adequaat kunnen aantonen.

Samenvatting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 25 september 2026 het beroep in cassatie van een belastingplichtige rechtspersoon niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het verschuldigde griffierecht. De belanghebbende had cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 september 2023 in een belastingprocedure. Om het griffierecht te ontlopen, deed de belanghebbende een beroep op betalingsonmacht op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, gelezen in samenhang met artikel 29 AWR en artikel 8:109 Awb. De griffier van de Hoge Raad stelde de belanghebbende in de gelegenheid de betalingsonmacht te onderbouwen. Op 27 februari 2024 werden via het webportaal van de Hoge Raad vier stukken ingediend: een ingevuld formulier Verklaring afwezigheid van vermogen, een salarisspecificatie van de bestuurder over december 2023, een afdruk van de aangifte vennootschapsbelasting 2019, en een brief. Op 17 april 2026 deelde de griffier mee dat de betalingsonmacht niet aannemelijk was gemaakt en dat de belanghebbende nog eenmaal in de gelegenheid werd gesteld het griffierecht te voldoen. Betaling bleef uit. De centrale juridische vraag was of de ingediende stukken voldoende waren om betalingsonmacht aannemelijk te maken in de zin van de toepasselijke wettelijke bepalingen. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De stukken boden geen volledig en actueel inzicht in de financiële situatie van de vennootschap: de VPB-aangifte dateerde uit 2019 en de salarisspecificatie betrof slechts de bestuurder, niet de vermogenspositie van de rechtspersoon zelf. De Hoge Raad bevestigt hiermee de vaste lijn dat betalingsonmacht concreet, volledig en actueel moet worden aangetoond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 25 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vastgoed
ECLI:NL:HR:2026:1562

Cassatieberoep OZB en watersysteemheffing niet-ontvankelijk verklaard

8/100Bekijk
Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1564

Hoge Raad verklaart cassatieberoep inkomstenbelasting niet-ontvankelijk

8/100Bekijk
Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1570

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onvoldoende bewijs betalingsonmacht

28/100Bekijk
Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1568

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens griffierecht

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied