Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1565, Hoge Raad, 25-09-2026, 23/04717
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende (rechtspersoon) stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingzaak. De belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht om het verschuldigde griffierecht niet te hoeven voldoen. De griffier achtte de betalingsonmacht niet aannemelijk gemaakt op basis van de ingediende stukken.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald en het beroep op betalingsonmacht niet aannemelijk heeft gemaakt, ondanks de geboden gelegenheid om dit te onderbouwen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en bevestigt bestaande jurisprudentie zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact beperkt zich tot de toepassing van bekende regels omtrent griffierecht en betalingsonmacht.
Belangrijkste punten
- 1Beroep op betalingsonmacht ex art. 8:41 lid 6 Awb jo. art. 29 AWR en art. 8:109 Awb werd ingeroepen door een rechtspersoon.
- 2Ingediende onderbouwing (formulier, salarisspecificatie bestuurder, aangifte vennootschapsbelasting 2019, twee brieven) werd ontoereikend geacht.
- 3De griffier heeft belanghebbende nog eenmaal een betalingsnota met termijn gestuurd, maar betaling bleef uit.
- 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt bij niet-betaling griffierecht als betalingsonmacht niet aannemelijk is gemaakt.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat een beroep op betalingsonmacht door rechtspersonen grondig onderbouwd moet worden met actuele en volledige financiële gegevens; ontoereikende documentatie leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit sluit aan bij eerdere arresten van de Hoge Raad (o.a. HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651).
Praktische impact
Belastingplichtigen (met name rechtspersonen) die een beroep doen op betalingsonmacht voor griffierecht moeten actuele en volledige financiële informatie overleggen; verouderde gegevens (zoals een aangifte vennootschapsbelasting uit 2019) en salarisspecificaties van de bestuurder volstaan niet.
Onderwerp-impact
In belastingprocedures bij de Hoge Raad worden de eisen aan onderbouwing van betalingsonmacht strikt toegepast, wat de toegang tot de cassatieprocedure voor financieel zwakke rechtspersonen in de praktijk bemoeilijkt.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 25 september 2026 het beroep in cassatie van een belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het verschuldigde griffierecht. De belanghebbende, een rechtspersoon, had cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 september 2023 in een belastingkwestie. Om het griffierecht niet te hoeven voldoen, deed de belanghebbende een beroep op betalingsonmacht op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, gelezen in samenhang met artikel 29 AWR en artikel 8:109 Awb. De griffier bood de gelegenheid dit beroep te onderbouwen, waarop de belanghebbende een ingevuld formulier betalingsonmacht, een salarisspecificatie van de bestuurder over een korte periode eind 2023, een afdruk van de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 en twee brieven indiende. Op 17 april 2026 deelde de griffier mee dat de betalingsonmacht niet aannemelijk was gemaakt. De juridische vraag was of de overgelegde stukken voldoende waren om betalingsonmacht aannemelijk te maken. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend: de ingediende documentatie was te gedateerd en onvolledig om een actueel beeld te geven van de financiële situatie van de rechtspersoon. Nu betaling vervolgens uitbleef, werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitkomst bevestigt de vaste jurisprudentielijn dat rechtspersonen die betalingsonmacht inroepen, actuele en volledige financiële gegevens moeten overleggen. Oudere belastingaangiften en salarisspecificaties van de bestuurder volstaan daarvoor niet. De uitspraak heeft geen proceskosten tot gevolg. Hoewel de beslissing procedureel is en geen nieuw recht schept, illustreert zij de hoge eisen die in de praktijk worden gesteld aan het beroep op betalingsonmacht in cassatieprocedures.