Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1468, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00939
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 februari 2026. Na aanmaning tot betaling van griffierecht en een herstelmogelijkheid via het digitale dossier, bleef betaling uit en reageerde belanghebbende niet.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De doorslaggevende reden is dat het griffierecht niet is voldaan en belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om het uitblijven van betaling te verklaren.
Impactscore
LaagHet arrest past slechts de bestaande griffierechtregeling toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden of precedenten te stellen; het betreft een procedurele beslissing van beperkte reikwijdte.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet betaald na aanmaning per aangetekende brief met Track&Trace-bevestiging van aflevering
- 2Herstelmogelijkheid geboden via digitaal dossier en e-mailkennisgeving op 22 mei 2026 (art. 8:36c lid 2 Awb)
- 3Belanghebbende heeft noch betaald noch gereageerd op de herstelmogelijkheid
- 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit art. 8:41 lid 6 Awb
- 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de griffierechtregeling in cassatieprocedures: niet-betaling na aanmaning én geboden herstelmogelijkheid leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid op grond van art. 8:41 lid 6 Awb. Er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd.
Praktische impact
Voor procederen bij de Hoge Raad geldt dat tijdige betaling van griffierecht en actieve monitoring van het digitale dossier en het opgegeven e-mailadres essentieel zijn; het negeren van beide leidt automatisch tot verlies van toegang tot cassatie.
Onderwerp-impact
In belasting- en bestuurszaken benadrukt dit arrest het belang van digitale procesvoering en de verantwoordelijkheid van de belanghebbende om communicatie via het digitale dossier tijdig te verwerken.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 11 september 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep gericht tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 februari 2026. De inhoudelijke achtergrond van het geschil is uit de beschikbare tekst niet kenbaar; de procedure strandt volledig op een procesrechtelijke drempel. De griffier van de Hoge Raad had belanghebbende op 22 april 2026 per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Uit Track&Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief was afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Betaling bleef desondanks uit. Op 22 mei 2026 is vervolgens een bericht in het digitale dossier geplaatst, waarmee belanghebbende de gelegenheid kreeg om het uitblijven van betaling toe te lichten. Van die plaatsing is diezelfde dag een kennisgeving gestuurd naar het voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb neemt de Hoge Raad aan dat dit bericht op 22 mei 2026 is ontvangen. Belanghebbende heeft noch van de herstelmogelijkheid gebruikgemaakt, noch het griffierecht alsnog betaald. De Hoge Raad is op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb gehouden het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren wanneer het griffierecht niet tijdig is voldaan en de betrokkene geen gebruik maakt van de gelegenheid om dit te verklaren. Aan beide voorwaarden is voldaan, zodat niet-ontvankelijkverklaring volgt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest stelt geen nieuwe rechtsvragen en heeft als zodanig beperkte precedentwerking; het illustreert slechts de strikte processuele gevolgen van het niet-nakomen van de griffierechtplicht in cassatie.