Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens te laat herstel
ECLI:NL:HR:2026:1464, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01141
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2026. Het cassatieberoepschrift bevatte echter geen gronden, wat wettelijk verplicht is. De griffier stelde belanghebbende in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen zes weken.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 Awb. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende de herstelbrief pas op 26 mei 2026 indiende, terwijl de hersteltermijn op 20 mei 2026 was verstreken, waardoor het stuk buiten beschouwing werd gelaten.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard procedurele niet-ontvankelijkverklaring zonder nieuwe rechtsontwikkeling of inhoudelijke beoordeling; de juridische impact beperkt zich tot de betrokken partij.
Belangrijkste punten
- 1Cassatieberoepschrift bevatte geen gronden, in strijd met artikel 6:5 lid 1 letter d Awb
- 2Griffier stelde belanghebbende op 8 april 2026 in de gelegenheid het verzuim binnen zes weken te herstellen (deadline: 20 mei 2026)
- 3Kennisgeving werd per e-mail verzonden; ontvangst wordt geacht te hebben plaatsgevonden op 8 april 2026 (artikel 8:36c lid 2 Awb)
- 4Herstelbrief werd pas op 26 mei 2026 ontvangen, dus na het verstrijken van de hersteltermijn
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de hersteltermijn ex artikel 6:6 Awb bij verzuim van cassatiegronden, waarbij een te late indiening onverbiddelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid. De uitspraak heeft geen nieuwe rechtsontwikkeling maar illustreert de vaste lijn van de Hoge Raad.
Praktische impact
Belanghebbende verliest definitief de mogelijkheid om de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in cassatie aan te vechten. Dit benadrukt het belang van tijdige indiening bij gebruik van digitale portalen en het nauwlettend bewaken van hersteltermijnen.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtigen die digitaal procederen bij de Hoge Raad geldt dat het missen van een hersteltermijn met zes weken fataal is voor de ontvankelijkheid, ongeacht de inhoudelijke merites van de zaak.
Samenvatting
In deze zaak had een belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2026 (zaaknummer 24/3212). Het cassatieberoepschrift voldeed echter niet aan de wettelijke vereisten: het bevatte geen gronden, terwijl artikel 6:5 lid 1 letter d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit uitdrukkelijk voorschrijft. De griffier van de Hoge Raad plaatste op 8 april 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende, met de mededeling dat het verzuim binnen zes weken hersteld kon worden. De hersteltermijn liep daarmee tot en met 20 mei 2026. Op dezelfde dag werd een kennisgeving verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt ontvangst van dit bericht geacht te hebben plaatsgevonden op 8 april 2026. De juridische vraag was of de door belanghebbende ingediende herstelbrief tijdig was ingediend. De Hoge Raad stelde vast dat de brief pas op 26 mei 2026 via het webportaal werd ontvangen, dus zes dagen na het verstrijken van de hersteltermijn. Het stuk werd daarom buiten beschouwing gelaten. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 6:6 Awb. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak illustreert de strikte handhaving van procedurele termijnen in het digitale procesrecht: ook bij gebruik van het webportaal dient de indiener te waarborgen dat stukken binnen de gestelde termijn worden ingediend. Een overschrijding van de hersteltermijn, hoe klein ook, leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.