Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1462, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/04298
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland in een belastingzaak. Het griffierecht werd niet voldaan binnen de gestelde termijn. De indiener stelde een verzoek tot verlaging te hebben ingediend, maar kon dit niet onderbouwen.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet is betaald en de indiener geen bewijs heeft overgelegd van een verzoek tot verlaging van het griffierecht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactscore
LaagDe uitspraak past gevestigde rechtspraak over griffierecht toe en stelt geen nieuwe rechtsregels. De beslissing is procedureel van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten de directe procespartij.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet voldaan binnen de gestelde termijn van vier weken na aanmaning.
- 2Indiener stelde een verzoek tot verlaging van griffierecht te hebben gedaan, maar legde hiervan geen bewijs over.
- 3De Hoge Raad is niet gebleken dat een verzoek tot verlaging daadwerkelijk is ingediend.
- 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij onbetaald griffierecht.
- 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 8:41 lid 6 Awb: niet-betaling van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook wanneer een verzoek tot verlaging wordt gesteld maar niet aangetoond. Bewijslast voor een dergelijk verzoek ligt bij de indiener.
Praktische impact
Belanghebbenden die griffierecht niet kunnen of willen betalen, moeten een verzoek tot verlaging tijdig en aantoonbaar indienen; een niet-onderbouwde stelling dat een verzoek is gedaan volstaat niet om het verzuim te helen.
Onderwerp-impact
In belasting- en bestuurszaken benadrukt deze uitspraak het belang van zorgvuldige procesvoering en tijdige documentatie van verzoeken aan de rechter, met name bij financiële drempels zoals griffierecht.
Samenvatting
In deze zaak had een belanghebbende cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2025 in een belastingzaak. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener per aangetekende brief van 1 januari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht, met een betalingstermijn van vier weken. Na uitblijven van betaling werd de indiener op 30 januari 2026 nogmaals in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was voldaan. De indiener stelde dat zij een verzoek tot verlaging van het griffierecht had ingediend en dat zij geen beslissing op dat verzoek had ontvangen. Zij overlegde echter geen enkel bewijsstuk waaruit bleek dat een dergelijk verzoek was gedaan, noch wanneer. De Hoge Raad kon ook ambtshalve niet vaststellen dat een verzoek tot verlaging was ingediend. De centrale juridische vraag was of de indiener verschoonbaar in verzuim was geweest ten aanzien van de betalingsverplichting. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend: de enkele, niet-onderbouwde stelling dat een verzoek tot verlaging is gedaan, is onvoldoende om het verzuim te excuseren. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak illustreert de strikte en dwingende werking van de griffierechtregeling in het bestuursrechtelijk procesrecht: de bewijslast voor een verzoek tot verlaging rust bij de indiener, en een ongedocumenteerde stelling kan het rechtsgevolg van niet-betaling niet afwenden.