Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
ECLI:NL:HR:2026:1461, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03953
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Hof op verzet. Het beroepschrift werd één dag te laat ingediend en belanghebbende reageerde niet op de mogelijkheid om de termijnoverschrijding te verklaren.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat het beroepschrift op 30 oktober 2025 is ontvangen, terwijl de cassatietermijn van zes weken op 29 oktober 2025 verstreek, en belanghebbende geen verklaring voor de termijnoverschrijding heeft gegeven.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinebeslissing over termijnoverschrijding zonder nieuwe rechtsvragen; zij bevestigt slechts bestaande regels over digitale kennisgeving en fatale termijnen zonder richtinggevende precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De uitspraak op verzet is op 17 september 2025 digitaal ter beschikking gesteld; ingevolge artikel 8:36c lid 2 Awb geldt dit als ontvangstdatum.
- 2De cassatietermijn van zes weken (artikel 6:7 Awb) eindigde daarmee op 29 oktober 2025.
- 3Het beroepschrift in cassatie is op 30 oktober 2025 ontvangen – één dag te laat.
- 4Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld de termijnoverschrijding te verklaren, maar heeft hierop niet gereageerd.
- 5Bij gebreke van een verschoonbaarheidsgrond verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk; er is geen proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de cassatietermijn en de werking van digitale kennisgeving via het portaal als ontvangstmoment op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb. Procespartijen die digitaal procederen dragen het risico van het tijdig indienen van rechtsmiddelen na digitale kennisgeving.
Praktische impact
Voor belanghebbende betekent dit dat de uitspraak van het Hof op het verzet onherroepelijk is geworden. Een dag te laat indienen zonder aanvaardbare verklaring sluit de toegang tot cassatie definitief af.
Onderwerp-impact
In belastingzaken waarbij digitaal wordt geprocedeerd, dienen procespartijen en hun gemachtigden nauwkeurig bij te houden wanneer stukken digitaal worden geplaatst, nu die datum bepalend is voor het begin van de beroepstermijn.
Samenvatting
In deze zaak had belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof op een verzetprocedure. De kern van de zaak betreft uitsluitend de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep; over de inhoudelijke fiscale kwestie wordt niet geoordeeld. De Hoge Raad stelt vast dat de uitspraak van het Hof op 17 september 2025 digitaal in het dossier van belanghebbende is geplaatst en dat op diezelfde datum een kennisgeving naar het opgegeven e-mailadres is verstuurd. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb geldt die datum als het moment van ontvangst, zodat de cassatietermijn van zes weken (artikel 6:7 Awb) op 29 oktober 2025 afliep. Het beroepschrift in cassatie is echter pas op 30 oktober 2025 – één dag na het verstrijken van de termijn – bij de Hoge Raad binnengekomen. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 9 april 2026 in de gelegenheid gesteld om uit te leggen waarom de termijn is overschreden, maar belanghebbende heeft hierop in het geheel niet gereageerd. Daarmee is geen grond aangevoerd op basis waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen worden geacht. De Hoge Raad concludeert dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van het Hof op het verzet is hiermee onherroepelijk. De zaak illustreert hoe cruciaal tijdige indiening is bij digitaal procederen: de plaatsing in het digitale dossier geldt als ontvangstmoment en stelt de beroepstermijn in werking, ongeacht of de partij het dossier feitelijk heeft geraadpleegd.