JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1451Laag8/100

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1451, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00058

Hoge RaadUitspraak: 11 september 2026Publicatie: 11 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/00058
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Griffierecht
Artikel 8 41 Awb
Onbestelbaarheid

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak op verzet van de Rechtbank Den Haag van 21 november 2025. De griffier wees belanghebbende tweemaal per aangetekende brief op het verschuldigde griffierecht, maar beide brieven werden wegens onbestelbaarheid teruggezonden. Belanghebbende reageerde niet en betaalde het griffierecht niet.

Beslissing van de rechter

Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb, omdat het griffierecht ondanks twee aanmaningen niet werd voldaan. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende niet reageerde op de herstelmogelijkheid en het griffierecht ook na adresverificatie en verzending per gewone brief onbetaald liet.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een puur procedurele, niet-inhoudelijke beslissing die slechts de bekende toepassing van artikel 8:41, lid 6, Awb herhaalt. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord of richtinggevende regels gesteld.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet voldaan na twee aangetekende aanmaningen en adresverificatie
  • 2Beide aangetekende brieven kwamen wegens onbestelbaarheid retour; verzending daarna per gewone post
  • 3Belanghebbende reageerde in het geheel niet op de herstelmogelijkheid
  • 4Niet-ontvankelijkheid volgt dwingend uit artikel 8:41, lid 6, Awb
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 8:41, lid 6, Awb: niet-betaling van griffierecht leidt tot verplichte niet-ontvankelijkheid, ook wanneer post wegens onbestelbaarheid retour komt en adresverificatie heeft plaatsgevonden. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.

Praktische impact

Voor belanghebbende betekent dit dat de cassatieprocedure definitief eindigt zonder inhoudelijke beoordeling; de uitspraak van de Rechtbank Den Haag staat daarmee onherroepelijk vast. Procespartijen worden nogmaals gewaarschuwd dat een actueel, bereikbaar adres en tijdige betaling van griffierecht essentieel zijn.

Onderwerp-impact

De uitspraak heeft geen bijzondere sectorspecifieke impact; de zaak raakt uitsluitend de procedurele toegang tot de cassatierechter en de werking van de griffierechtregeling in belastingzaken.

Samenvatting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 11 september 2026 uitspraak gedaan in een beroep in cassatie dat was gericht tegen een uitspraak op verzet van de Rechtbank Den Haag van 21 november 2025 (nr. SGR 25/1425 V). De inhoud van het geschil dat aan die uitspraak ten grondslag lag, is uit de beschikbare tekst niet kenbaar; de Hoge Raad heeft de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. De centrale procesrechtelijke vraag was of het beroep in cassatie ontvankelijk was, nu belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet had betaald. De griffier van de Hoge Raad had belanghebbende op 18 maart 2026 per aangetekende brief gewezen op de betalingsverplichting en een termijn van vier weken gesteld. Die brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden. Na adresverificatie is het stuk per gewone post verzonden. Het griffierecht bleef onbetaald. Op 21 april 2026 is belanghebbende wederom per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom niet was betaald. Ook die brief werd wegens onbestelbaarheid retour ontvangen, waarna opnieuw verzending per gewone post volgde. Belanghebbende reageerde niet. De Hoge Raad oordeelde dat onder deze omstandigheden artikel 8:41, lid 6, Awb dwingend meebrengt dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Van een proceskostenveroordeling zag de Hoge Raad geen aanleiding. De beslissing is daarmee volledig procedureel van aard: de uitspraak van de Rechtbank Den Haag is door het mislukken van de cassatieprocedure onherroepelijk geworden. De zaak illustreert het belang van een bereikbaar postadres en tijdige betaling van griffierecht als toegangsvoorwaarden voor de cassatierechter.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 11 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00280

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1465Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01140

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1469Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied